22-06   05-07   23-07   22-08   24-09   08-10   18-12   07-02-2004   22-02   02-05   10-05   WEER THUIS  

22 Augustus, Cudillero 

Gisterenavond en -nacht (nog in Gijon) gezellig in de kuip gegeten met zijn 6en. De door onze Duitse buren eigengevangen makrelen werden gedeeld met een Nederlands-stel-op-de-terugweg en werden in de sojasaus, met een hele hoop Indische kruiden en licht gefruite uitjes eroverheen nog lekkerder gemaakt. Zowel de makrelen als de bergen garnalen zwommen uiteraard in de knoflook en werden natuurlijk

vergezeld van paella. Een flesje wijn erbij en het feest kan beginnen. Het wordt een leuke avond. Mech en Wolf, succes met jullie reis in 2004. Oja, laten wij het etentje zeker niet vergeten als we elkaar weer tegenkomen in Hellevoet. Rond 16.00 uur vertrekken we naar Cudillero, een kort tochtje. In de avond begint de wind uit het Noordwesten te komen en dat is nu net verkeerd om te zeilen dus even het motortje aan. Cudillero is helemaal tussen twee kliffen gebouwd en piept pittoresk en trots ertussen uit. Eenmaal binnen in de haven, waar je aan een ring of voor anker kan liggen, kijk je gewoon waar er plaats is. In dit soort havens is er geen verschil tussen pleziervaart en beroeps. Wij vinden samen met de Akane een gigantisch lijn in het water met een doorsnede van 8 centimeter (en dan toch nog blijven drijven?) en liggen er gebroederlijk aan. Weer een mooi plekje gevonden, tegen een rotswand aan van 400/500 meter hoog, dus uit de wind. Het kan eigenlijk net zo goed Noorwegen zijn, zo steil is de enorme berg. Maar, zo idyllisch is het ook weer niet, want er hangt een penetrante brandlucht. Later weten we waarom: even verderop zijn helikopters water uit de zee aan het halen om een bosbrand te blussen aan de andere kant van de berg. Als we het dorpje gaan verkennen worden we aangenaam verrast: het is echt heel mooi en heel Spaans. We maken een wandeling (ja: Meis is weer mobiel) via trappen en steile paadjes en komen boven op een berg uit met prachtig uitzicht over het dorp, de haven, de baai en onze favoriete Atlantische Oceaan. Uiteindelijk blijven we drie dagen en nachten. Het kost niets (Nederlanders!) en het plaatsje is echt een aanrader voor zowel zeevarenden als landrotten. Overal kan je lekker eten en je kan prachtige wandelingen maken. Vlak bij de haven is overigens een tunnel door de berg heen gemaakt, waardoor de afwatering van de berg loopt en die in het centrum van het stadje uitkomt. Het is een enorm lange tunnel en hij is een beetje schemerig, maar met het klaterende water naast je voel je je echt een avonturier. ’s Middags vinden we een restaurantje (een beetje uit het centrum) waar ze heerlijke tapas hebben. De ober, een jonge gozer met een ‘goaty’ vraagt waar we vandaan komen en op het moment dat we onze nationaliteit bekendmaken, begint hij alle voetballers van Nederland op te ratelen (weliswaar met zwaar Spaans accent). We waren helemaal vergeten dat Nederland voetballers heeft?! Ook vraagt hij of het waar is dat je in Nederland met een stickie op straat mag lopen. Ook dat waren we vergeten: zo zie je dat iedereen een ander beeld heeft van Nederland. Maar iedereen kent ons kikkerlandje!

Als we in de avond met laagwater met de Zilvervloot aan de kant komen, zien we tientallen kreeftjes en krabjes wegschieten. Meis vindt het maar raar en blaft verbijsterd naar alles wat onder d’r poten wegschiet. Onze Meis is gelukkig weer de oude, ze rent, zwemt en snuffelt erop los. De tennisbal wordt weer overal mee naartoe gesjouwd. We zijn blij voor het beessie, want op de boot is ’t voor haar ook niet altijd feest met de hoge golven.

Wij liggen inmiddels met drie boten aan de dikke lijn: de Poco Andante (een Engels schip, 44 feet) ligt bij ons aan. Ze lagen eerst een stukje verderop voor anker, maar de ankergrond in de haven is niet zo goed en ze slaan telkens los. Bovendien heerst in Finisterre een storm: een lagedrukgebied vanuit het westen wil deze kant uitkomen en dan ben je toch blij als je stevig ligt. En ja hoor, ook zij gaan 3 jaar zeilen, en doen het ook poco a poco (rustigaan). Aan de zijkant van de haven wordt telkens met laagwater druk gewerkt, dus ook nog ’s avonds laat. De haven wordt verbeterd en de vorkheftrucks en vrachtauto’s kunnen alleen met laagwater hun werk uitvoeren. Plots wordt door mensen aan de kant gewenkt. Eerst denken we dat de Spanjaarden het havengeld met z’n tienen komen innen, maar als ze “explosiegebaren” beginnen te maken, varen we er toch maar even met de Zilvervloot naartoe. Een van de heren spreekt perfect Duits en vraagt of wij om zes uur even met de boot naar een andere plek in de haven kunnen varen. En de “explosiegebaren” hadden we dus goed gezien: want de Duitssprekende heer is een explosievenexpert die inmiddels de ladingen heeft aangebracht om enkele onderwaterrotsen uit de weg te ruimen. De ontploffingen kunnen schade aanbrengen aan onze boten en vandaar het verzoek. De Akane en wij besluiten om verder te varen. De barometer is stabiel en de storm in op 43n11w en wij zitten op 43n6w. Bovendien is de volgende haven maar 21 mijl verderop. Het is rustig weer, wel bewolkt, maar heerlijk om te varen.


28 Augustus, Luarca 

Eigenlijk komt het er op neer dat je veel van de kleine havens in Noord Spanje bij noordenwind en een swell vanuit het noorden (swellrichting en windrichting zijn niet hetzelfde) niet kan aanlopen: er onstaat een onstuimige zee en de aanlopen zijn zeer ondiep. Puerto de Luarco is er ook zo een. Het ligt maar 18 mijl van Cudillero: vanwege het slechte weer dat op komst is maken we maar kleine tochten. Deze omgeving is echter prachtig. Steile kliffen met soms een eiland ervoor en de baaien worden hier groter. In de pilot wordt omschreven dat de je bij het aanlopen van deze haven beter niet kan afwijken van de aanbevolen route. Later, bij laagwater, zien we waarom: vlak langs de aanlooproute steken enkele flinke rotsen centimeters boven het water uit. Overigens, als wij hier op de elektronische kaart de haven waren binnengevaren, hadden we een probleem gehad: op de pc is namelijk te zien dat we via de boulevard en de lokale kroeg over het land hebben gevaren en waarschijnlijk had de plaatselijke bevolking dat niet zo op prijs gesteld. Gelukkig maken we altijd referentiepunten met kompas-kruismetingen als het wat moeilijker wordt of als we onze ogen beter vertrouwen dan de elektronica.

Ook dit stadje is tussen twee kliffen gebouwd en het wordt pas duidelijk hoe groot de stad is als je er middenin staat. Overal steegjes, straatjes, kleine winkeltjes, cafeetjes en veel mensen op straat van ’s-Ochtends vroeg tot laat in de avond, zowel oud als jong en dat maakt het hier zo levendig. Het is een plezierige aanblik. Aan de kade is het vaak toeristisch en daar stikt het van de restaurantjes en terrassen. Op de levensgrote menukaarten die overal hangen, zie je prachtige Spaanse namen van gerechten, waarvan je zeker weet dat ze exotisch zijn. Maar na de vertaalgids te hebben geraadpleegd, blijkt het gewoon een Wienerschnitzel te zijn. ’s-Avonds eten wij bij een tentje waar de eigenaar in het Spaans zijn uiterste best doet 101 dingen te vertellen en wij knikken hevig ja en nee. Marianne is van ons tweetjes diegene die zich het best in de buitenlandse taal redt. Ze oefent veel zinnen en leest (verslindt) ook de “hoe-wat-waar”. In het restaurant wilt ze een vruchtensapje bestellen en een biertje. (Kijk, hoe je bier in verschillende talen moet zeggen is voor Paul echt geen kunst, zeker niet met die Europese tienertoertjes van vroeger), echter we hadden zo zitten lachen en oefenen op de meest vreemde zinnen in het boekje, dat Marianne een vruchtensapje en een toilet bestelt. De eigenaar wijst begrijpend knikkend naar de toiletten en Marianne denkt nog even: “wat een vreemde plaats om bier te bewaren”, voordat ze haar vergissing bemerkt. Dit is echter wel de ijsbreker voor de eigenaar. Hij schotelt ons een heerlijk maaltje voor en als we vertrekken staat hij ons met twee armen uit te zwaaien. En wij voldaan met de Zilvervloot naar de Zilver voor het borreltje, de evaluatie van de dag en lekker naar bed.


1 September, Vivero 

Het weer wordt er niet beter op na en drie dagen liggen gaan wij weer verder. Ondanks de wat slechtere voorspellingen en na 8 dagen ankeren en moorringen, wordt het weer tijd om water te tanken en dus een haventje te zoeken. Ook vanwege de harde zeewind zijn we op zoek naar een haventje waar de golfslag van de Atlantic ons niet kan bereiken. Vivero ligt aan het einde van een prachtige baai en aan het begin van een rivier en lijkt ons bij uitstek een zeer geschikte keus om lekker te liggen.

Het tochtje begint rustig: de motor loopt een beetje met de zeilen mee. Maar na een uurtje kunnen we al alleen op zeil doorgaan, heerlijk. De golfslag is echter flink en zet gedurende tocht nog verder aan. Daar zitten we weer in ons notendopje op de Atlantische Oceaan. We fixeren het grootzeil en de boom gaat in de genua. Ziezo, dat kan niet meer klapperen. De golven worden echter hoger en hoger en Paul ziet ineens dat de boom geknakt is. Ongelofelijk: die spinnakerboom is zo stevig en zwaar, maar ja, niet stevig en zwaar genoeg. Met vereende krachten krijgen we het gevaarte los. De wind is inmiddels aangezet tot een kracht 5 a 6. Door de combinatie van harde wind van schuin achteren en de golfslag kan de stuurautomaat het niet meer goed bolwerken. Bovendien komen de golven soms zijwaarts binnen en dan maakt de Zilver een flinke slag opzij. We besluiten maar eens ouderwets met de hand te gaan sturen. Eigenlijk best wel weer lekker om zo van de golven af te surfen. Als Marianne aan het roer staat, kijkt ze toevallig achterom en……. ziet een vin. Dolfijnen!! Eindelijk, we hebben ze al zo lang niet meer gezien! Marianne moet zich concentreren op het roer, want het gaat flink te keer, maar gelukkig zien we beiden hoe een grote dolfijn in de top van een golf meesurft achter onze boot langs. Wat is dat prachtig: het lijkt wel of ie in ijs gevangen is: de kromming van zijn rug is exact gelijk aan de kromming van de heldere golf. (Het is net zo’n presse-papier met een dolfijn erin die je in elk zichzelf respecterend toeristenwinkeltje kan kopen). Het zijn 2 of 3 dolfijnen (door de golven kunnen we het niet goed zien) en net onder de genua springt er 1 omhoog. De sprong missen wij beiden, maar de koker bruisend water naar beneden is door het heldere water prachtig te zien. Ze blijven maar even bij ons, maar we zijn weer zo blij als een kind. En verder gaat de tocht door de golven.

De wind zet aan en brengt ons voorspoedig naar de baai waar wij voor anker willen gaan. Eenmaal in de baai nemen de golven af en het water wordt rustiger. In de vissershaven laten wij het anker zakken, en ja hoor, Paul haalt z’n vinger open bij het stoppen van de ankerketting (moet je ook gewoon je vingers tussen duwen). Het anker wil in deze modderige grond ook niet blijven liggen. Na Paul z’n vinger vakkundig verbonden te hebben (gewoon blijven draaien met het verband tot er niets meer is en dan een knoopje leggen aan het eind) besluiten we snel het anker op te halen en naar de haven te varen waar we aan de steiger kunnen liggen. Paul met zijn vinger in het verband blijkt geen problemen te hebben met het welkomstborreltje, dus we besluiten dat het allemaal niet zo ernstig is als het eruitziet en we gaan niet over tot amputeren (haha).

Vivero is een mooi stadje wat nog niet is aangetast door het toerisme, het lijkt ons bij uitstek de juiste plaats om ons te laten verwennen met lokaal voedsel, jammie, jammie. Dus met opgeruimd gemoed tuigen wij het stadje in, op zoek naar de authentieke Spaanse keuken. We struinen door de kleine op- en aflopende steegjes en komen uiteindelijk uit bij een Heel Klein restaurantje in een Heel Klein steegje, waar een Heel Klein oud omaatje achter de bar staat en waar het dagmenu maar een Heel Klein beetje kost. Jaaah, wisten wij: we hebben een echt authentiek Spaans restaurantje gevonden: niks toeristen, gewoon een restaurantje voor de Spanjaarden zelf. Na ampel beraad besloten wij gezamenlijk voor het menu del casa te gaan: het menu van het huis zelf. Kan het nog mooier? Oma reddert gemoedelijk wat in het rond en keuvelt wat Spaans tegen ons wat wij beleefd doch onbegrepen beantwoorden. Dan wordt de soep gebracht: een schaal vol met …..tja, wat zou het zijn? Het ziet er allemaal wat drasserig uit. Het blijkt een groentensoep te zijn, maar wij hebben het vermoeden dat de substantie toch al enige uren, zoniet dagen of weken in een pannetje heeft staan pruttelen. “Niet zeuren”, zeggen wij nog immer opgeruimd tegen elkaar, “dit is echt Spaans!” Terwijl we nog de soep zo goed en zo kwaad als we kunnen aan het wegwerken zijn (we willen namelijk niet onbeleefd lijken) brengt oma ons het hoofdgerecht. Over de rand van ons soepbordje heen zien we een schaaltje dat tot de rand is gevuld met vette jus, van waaruit enorme ogen van vetkringen naar ons terugkijken. In de jus drijven wat vettige worstjes (denken we) die gecamoufleerd worden door slaphangende vetglimmende frieten. Dapper concentreren we ons op de soep, af en toe een angstige blik werpend op het vettige schaaltje. Beiden beseffen we dat het geen worstjes zijn die daar in de reuzel zwemmen en dapper focussen onze ogen zich op de uiteinden van de sausijsjes. Paul is in dit geval de held: hij neemt als eerste een vermeend worstje. Uit de anatomische samenstelling van het ding blijkt het al snel een kleine inktvis te zijn, waarvan het lijfje is leeggeschrobd en de tentakels weer als vulling in het in de holte zijn geduwd. Op zich is dat allemaal niet zo erg, ware het niet dat het allemaal zo vies glibberig van het vet is, dat het welhaast onmogelijk is het ding op je bord te lepelen. Paul, nog steeds de held, proeft, en zegt: “mmmm, best lekker eigenlijk”. Marianne volgt en – eerlijk is eerlijk – het smaakt niet verkeerd, ware het niet dat het zo vreselijk, vreselijk, vreselijk VET is. Marianne houdt het na een “worstje” of 4 voor gezien, maar Paul, zoals een held betaamt, zet door en werkt er zo’n 10 weg. Op de waarschuwing van Marianne dat dit toch echt niet goed voor je spijsverteringskanalen kan zijn zegt Paul dat hij – hij is immers een held – over een ijzersterke maag en aansluitend darmstelsel beschikt. Het schaaltje komt niet leeg en oma komt bezorgd vragen of het allemaal lekker is. Jahaah, knikken wij beleefd en zeggen met het oog op het nog bijkans half gevulde schaaltje: maar het is wel veel hoor! (Oma is namelijk heel lief en we willen haar niet teleurstellen). Het dessert van de casa is flan, een caramelpuddinkje waarmee je hier in Spanje wordt doodgegooid. Normaalgesproken kan je met een flan ook worden doodgegooid, want het is best een stevig puddinkje, maar de flan die wij voorgeschoteld krijgen, heeft waarschijnlijk in een pan water liggen mokken, want het is een hoopje ellende op ons bord. We doen echt vreselijk ons best voor oma: telkens als we een hap nemen knijpen we onze ogen dicht en slikken. En zo wordt ook de flan weggewerkt. We danken oma hartelijk voor haar gastvrijheid, geven haar een flinke fooi en gaan op een draf naar de boot. We voelen ons niet helemaal jofel, maar met een beetje liggen op de bank moet dat toch wel overgaan. Held Paul begint aan de reparatie van de genua en wordt na een minuut of 10 de antiheld: als een speer rent hij onderdeks om oma’s delicatessen in gewijzigde vorm en in grote golven aan moeder natuur terug te geven. Dit herhaalt nog zo’n 10 keer. Paul met z’n sterke maag is ziek. Niet zomaar ziek, nee: Ziek. Pas de volgende middag durft hij het bed te verlaten. Praten over eten is voorlopig taboe.

De volgende dag raken we met andere Nederlanders aan de praat over hun tocht. Paul krijgt het blad Zeilen van de maand juli mee en daar staat warempel oma’s recept in, maar dan minder vettig. Zijn maag draait zich nog een keer om. Na twee dagen is hij weer helemaal de oude, even geen vreemd voedsel meer.

We besluiten hier een weekje te blijven om wat van de omgeving te zien. Tot nu toe hebben wij ons nog alleen maar beziggehouden met de zeiltocht en dit is ook eventjes lekker. We maken een flinke wandeltocht naar de top van een berg. Het is een wandeling van ongeveer 6 kilometer, maar dan wel stevig bergopwaarts. Af en toe staat aangegeven dat het om een 17% helling gaat en het zweet druipt al snel van ons af. Maar, boven aangekomen is het de moeite waard geweest: daar wacht ons een prachtig uitzicht over de oceaan, de baai, de stad en de haven. Foto’s knippen maar weer. We hebben eten voor ons alledrie meegenomen en op de top houden we een uitgebreide picknick, compleet met tukkie erna... De dagen erop variëren we met luieren, lezen en wandelingen door de duinen naar zee, waar Meis d’r hart weer helemaal kan ophalen. Iedere keer als we het stadje inlopen verbazen we ons over de prijzen: het leven is hier goedkoop, van groente tot tondeuse (9 Euro voor Paul z’n baard) en we komen erachter dat het ook makkelijk is om een elektrische waterkoker en een elektrisch fornuis te gebruiken. De elektra in alle havens hier is afgezekerd op 16 Ampère en gas is niet overal te verkrijgen. Aangezien het hier geen mallemoer kost gaan wij op pad en komen met een flinke buit terug: water/melkkoker en elektrisch eenpittertje.

Wij wachten weer een depressie af, in heel Biskaje wordt 7 tot 8 bfr afgegeven. We liggen hier echter prima en Paco, de havenmeester, maakt ons verblijf in de haven aangenaam. Hij heeft zichzelf Engels leren spreken en beschikt over een flinke dosis humor met bijbehorende gulle lach. (Voor de zeilers onder ons: hij doet ons wat denken aan Robert in Oostende). Als je je boot in Noord-Spanje achter wilt laten is dit absoluut de plek. De haven is nagelnieuw, je ligt er bijzonder beschut en Paco houdt alles perfect in de gaten. Overigens stikt het van de harders (alg-etende vissen) in de haven, er zitten er werkelijk honderden. En met het heldere water kan je ze goed bekijken, dat blijft mooi. De laatste avond van ons verblijf in Vivero drinken we een borrel met een Engels stel die hun boot daar achterlaten om volgend jaar in de vakantie weer lekker verder naar het zuiden te zeilen en we hebben een interessant gesprek over zelfmoordschapen…..?! Als we na ons ruime weekje vakantie vertrekken, schudt Paco ons beiden de hand en geeft ons de laatste overnachting cadeau. Misschien tot volgend jaar.


9 September, La Coruna 

’s Ochtends is het toch weer lastig ons bedje te verlaten: het is gisteren met de borrel laat geworden. Maar het weer is goed, de storm is voorbij en we willen nu het naar het magische La Coruna: de plaats waar alle ‘vertrekkers’ liggen. De golven zijn na de storm behoorlijk hoog en de wind is kracht 3, dus motorsailen maar weer. Marianne voelt zich wat katterig na de korte nachtrust en van de hoge golven en mist daardoor en dolfijn die Paul langszij ziet komen. Wel ziet ze even later een flinke vis boven het water uitspringen: eentje met een ‘spitse snuit’. De tocht gaat voorspoedig en de golven zijn hoog, maar langgerekt. Op een gegeven moment zien we een knoepert van een golf aankomen: hij is zeker 7 meter hoog. Het is een prachtig gezicht. Omdat de golf zo glooiend is lijkt het alsof de boot door een enorme hand wordt opgetild. Achter de golf is de vallei zo groot als een weiland en dan komt de volgende golf weer. Iets minder hoog maar toch nog indrukwekkend en zo bouwen de golven zich weer af tot het normale niveau van deze dag: 2 a 3 meter. We varen af en toe redelijk dicht langs de kust en daar zie je de golven stukslaan op de rotsen. Dat is echt een geweldig spektakel: de schuimfonteinen zijn soms wel 20 meter hoog en spatten in slow-motion uit elkaar. Het is af en toe net of je naar een vuurwerkshow zit te kijken. In het zicht van de haven moeten we goed opletten voor de vissersboeien, want daar ligt het werkelijk mee bezaaid. Als Marianne staat te turen of we goed langs een vissersboei komen, ziet ze ineens schuin voor het schip een schuimmassa. “Rotsen” denkt ze direct en in die fractie van een seconde dat de schrik haar om het hart slaat, springt vanuit het schuim een dolfijn omhoog, zo’n 2 meter boven het water uit, om dan weer te verdwijnen. Het duurt een seconde voordat Marianne beseft wat ze gezien heeft en dan roept ze Paul, die helaas net binnen zat. Dit is de eerste keer dat een van ons een dolfijn heeft zien springen. De dolfijn sprong hoog en ver, maar laat zich niet meer zien.

We komen aan in La Coruna en het is echt heel anders dan we verwacht hadden. We waren bang dat het zo’n hypermoderne marina zou zijn met een kil en koel stadje eromheen met allemaal dikke jachten die sterke verhalen vertellen over het oversteken van de oceanen. Niet is echter minder waar: in de baai die we invaren gaan we aan een moorring liggen die bij het haventje hoort en dat haventje bestaat uit 2 golvende aftandse steigers. Het ziet er allemaal gezellig uit. De Akane ligt er ook en als we met Meis naar de kant roeien wordt vanaf de steiger al geroepen: de Poco Andante is ook in La Coruna uitgekomen en nodigt ons uit om pasta te komen eten. Zo’n uitnodiging slaan we natuurlijk niet af en het wordt uiteraard weer een gezellige avond. De volgende dag gaan we de stad verkennen en ook die valt bij ons goed in de smaak. Het is een grote stad met een oud gedeelte en een nieuw gedeelte en er hangt een geweldige sfeer. De mensen zijn zonder uitzondering bijzonder vriendelijk, maar die ervaring hebben we in heel Spanje al opgedaan. (Als je bijvoorbeeld de weg vraagt, lopen de mensen soms hele stukken met je mee om te wijzen waar je heen moet. En zeker als je probeert enigszins Spaans te brabbelen, wordt dat bijzonder gewaardeerd). De stad is voorzien van prachtige parken met mooie beelden en tijdens onze verkenning komen we bij een concertgebouw uit. Marianne ziet een vrachtauto van het Symfonieorkest van Galicia en stelt voor om naar een concert te gaan luisteren in het prachtige gebouw. Ze gaat naar binnen voor informatie en wordt in perfect Engels te woord gestaan. Het gebouw is pas 15 jaar oud en nee, er is geen concert te beluisteren, maar morgen wordt de opera Rigoletto van G. Verdi opgevoerd. We vragen aan Hans-Jurgen en Karin van de Akane of ze zin hebben om mee te gaan (jaaaa!!) en zo komt het dat we met z’n vieren de volgende avond opgepoetst en in het mooi ons naar het concertgebouw begeven. Karin en Marianne waren even nog bang dat ze ‘overdressed’ zouden zijn, maar dat was niet nodig. De dames in Spanje maken sowieso veel werk van hun kleding en die avond zien we de meest bijzondere en mooie creaties voorbijwandelen. De opera is prachtig: grandioze decors, prachtige muziek natuurlijk en zang waarvan je kippenvel krijgt zo mooi. De opera duurt 4 uur met 2 pauzes erin waarin met glazen drank wordt rondgegaan en er allerlei hapjes op tafels worden gezet. Da’s effe wat anders dan in Nederland! De toegangsprijzen zijn overigens ook anders dan in Nederland: die variëren van 10 tot 42 euro: dat is toch een habbekrats voor zo’n schitterend spektakel! We waren overigens maar net op tijd om nog kaarten te krijgen: de concertzaal was uitverkocht. In de pauze zien we politie voor het gebouw staan en Marianne vraagt aan iemand waarom. Het blijkt dat een belangrijk politicus bij de uitvoering aanwezig is en dat in het hele gebouw extra bewaking aanwezig is. Na 4 uur komen we zuchtend van genot naar buiten. Wat hebben we een geluk gehad dat we dit konden zien en horen: het was maar een eenmalige uitvoering in La Coruna en wij waren daarbij! Op de terugweg naar de boot gaan we nog even ergens wat drinken. Nou ja, even. In het mooie barretje zitten we op het balkon. Het is prachtig weer en binnen wordt live gezongen door een zangeres. ’t Is even wennen na de opera, maar als de bar steeds voller wordt en we zien alle Spanjaarden genieten en meezingen, komt bij ons de stemming er ook snel in. De avond wordt ochtend en uiteindelijk liggen we om half 6 (!!) in bed. Morgen maar niet vertrekken dus.

Het wordt weer eens tijd om de brandstofvoorraad aan te vullen. Alleen bij hoog water kan je bij de pomp komen, of met de jerrycan. Als we afrekenen wordt het tanken opgeteld bij de overnachtingen (vier dagen aan de ankerboei kost 48€. We hebben het idee dat we korting krijgen omdat de havenmeester Meis zo leuk vindt en keer op keer de bal voor haar in het water gooit). Na een dagje luieren wordt het weer tijd om verder te gaan. Er staat een lekker windje en de swell is niet bijzonder hoog, zodat bij weinig wind de zeilen niet gaan klapperen. We vertrekken pas om 12.00 uur.


14 september, Corme 

Corme ligt zo’n 35 mijl zuidelijker en omdat er weinig wind staat lijkt dit ons wel een mooi plekje om relaxed naar toe te zeilen. In de Ria de Corme aangekomen woeden er twee bosbranden: 1 op de Punta Del Cuerno en 1 achter het stadje. Spanje wordt nog steeds geteisterd door grote droogtes, we hebben al weken geen regen gehad. Voor ons prima, maar voor de natuur niet. Links en rechts van ons vliegen de heli’s met waterzakken op en neer om het boeltje te blussen.

De ria heeft twee haventjes zodat je vrijwel bij alle windrichtingen een geschikte plek kan uitzoeken om beschut te liggen en dat is ook nodig: bij aankomst begint er plots een 6je te waaien. Corme heeft geen steigers, dus maar een ankertje uitgooien langs de mosselbanken. Het is gewoon weer prachtig hier, de honden mogen buiten de stranduren (tussen 11 en 18 uur) loslopen en daar maken wij dan maar weer gretig gebruik van. Na een rustig nachtje geankerd te hebben zetten wij onze tocht voort naar Camarinas.



15 september, Camarinas 

Bijna alle Ria’s zijn goed aan te lopen en als wij op onze tocht in Spanje meer dan 20 navigatieboeien zijn tegengekomen is het veel. Oké, er zijn hier wel honderden zo niet duizenden, ballen, vlaggen, petflessen en andere visserspiepschuimboeitjes die ervoor zorgen dat je wel op moet blijven letten. Soms zelfs op dieptes van 100 meter.

Het begint voor jullie lezers saai te worden, maar wij kunnen hier ook niets anders vertellen dan dat we weer in een paradijsje terechtkomen. We laten voor een strandje met beboste heuvels erachter ons anker vallen en kijken uit over de baai die omringt is door rotsen, heuvels en groen en er is helemaal geen van de golfstag van de oceaan. Weer een perfecte dag en een perfecte plek!

We hebben gemerkt dat rond 6 uur ’s avonds de wind meestel aanzet en dat ie laat in de avond weer inzakt: een perfecte combinatie voor lekker zeilen en een rustige nacht. Als je ankert met voldoende lijn (wij leggen op een ankerdiepte van 10 meter meestal 40 meter ketting uit), blijft de boot prima liggen, ook wanneer de wind aanzet. Een klein ankerlichtje en de ankerbal maken je ankerplekje compleet. Het verval hier is ongeveer 3 meter, dus dat valt wel mee. Meestal proberen we een ankerplekje buiten de haven of havenmonding te vinden, want daar is het ’s-nachts vaak een drukte van jewelste: vissersschepen die op- en afkomen met flinke snelheid en de daarbijbehorende golfslag. Weten zij dan niet dat vissen ’s-nachts na de fabeltjeskrant naar bed gaan?? Ach, wie ben ik om deze wijsheid over te brengen. Het is Sardientjestijd. De vissers lopen de haven 24 uur per etmaal in en uit en de medewerkers aan de kant worden blij verrast met een doordringende sirene die aangeeft dat zij snel naar de kade moeten komen om het kostbare goedje in ontvangst te nemen. Overigens is dit lawaai ook een goede reden om niet te dicht bij een haven te ankeren als je een lichte slaper bent. (Wat wij niet zijn: we gaan meestal rond 12 of 1 uur naar bed en slapen wij tot een uurtje of half 10! (Stelletje luilakken)).

Als wij in de ochtend wakker worden gemaakt door de zon, horen wij uit ons raampje een smakelijk gekabbel van …….. wel duizenden visjes rond onze boot. Een mooi schouwspel bij de koffie en het brood.


16 september, Portosin 

Alweer een halve maand verder. We vragen ons niet meer af of we te langzaam gaan: we plukken gewoon de dag en genieten ervan. De windvoorspellingen zijn zuid 3 tot 4. Vandaag staat het ronden van de “beruchte” Kaap Finisterre op het programma. Finisterre betekent eigenlijk “einde van de wereld” (Finis Terrea). “Rare jongens die Romeinen” (citaat uit ‘n Astrix en Obelix boek).

De kaap wordt altijd omschreven als een hoek waar veel hoge golven staan. Maar omdat er al een paar dagen weinig wind staat en er dus bijna geen deining is, besluiten wij er vlak langs te varen. We nemen een paar mooie foto’s van Cabo Finisterre, met de gelijknamige vuurtoren en zetten ons tochtje voort naar Ria de Muros.

Ria de Muros is een van de vier Ria’s tot aan Portugal die ongeveer 15 mijl het land ingaan. Alle Ria’s worden omgeven door bergen en kleine strandjes. Wij besluiten om maar weer eens aan land te gaan om voedsel in te slaan, stroom te tappen, de 10 kilo was te wassen en de boot een beetje te cleanen. Rond 19.00 uur lopen we de haven van Portosin binnen en leggen de boot aan de steiger. In dit gedeelte van Spanje liggen de steigers op drijvers, die weer vast zitten aan grote ankerkettingen, die op hun beurt verankerd zijn aan rots/steenblokken. Hoe harder het waait, hoe krommer de steiger loopt. Er zijn geen vingersteigers maar om de 5 meter zit een lijn aan de steiger die overgaat in een ankerlijn achter het schip. Na het schip vastgelegd te hebben aan de steiger, pak je het lijntje op, loop je met het lijntje naar het achtersteven (het lijntje loopt over in dikke tros), die trek je strak en je slaat ‘m om de kikker, hartstikke makkelijk. En wij hadden bij het aanmeren gewoon een vingersteiger (ha).

Marianne had al een week tandpijn, niet erg, maar het leek haar toch beter om naar de tandarts te gaan, hoewel: in SPANJE?? Een beetje bibberig vrijblijvend vraagt ze aan de aardige havenmeester of er in de buurt een goede tandarts zit. Hij laat er geen gras over groeien en belt direct naar zijn eigen tandarts in Noia (een stadje verderop) en we kunnen er direct met de taxi (die hij ook regelt) naar toe. Marianne is wel bang dat Spaanse tandartsen iets weg hebben van toreadoren die te veel in monden prikken, maar in de taxi gaat deze angst al snel over, want de rijstijl van de chauffeur is veel beangstigender dan 10 Spaanse tandartsen bij elkaar. Het tandartskantoor is gevestigd in het centrum van Noia en het ziet er allemaal heel netjes en verzorgd uit. In de grote hal hangen foto’s van wedstrijd-zeilschepen en dat geeft ons wel een behaaglijk gevoel. De tandarts is een vreselijk aardige man met pretoogjes die op zijn beste Engels wel een half uur lang met ons praat over zeilen (zijn zoon blijkt wedstrijdzeiler) en ondertussen een foto van Marianne’s pijnlijke tand maakt. Geen gaatje, maar een kleine ontsteking in de pocket. Hij vraagt of we de volgende dag terug kunnen komen, dan maakt zijn dochter het allemaal in orde. Dat doen we uiteraard en zijn dochter heeft dezelfde pretoogjes en maakt op haar dooie gemakkie alles schoon en aldus is Marianne weer een gelukkig mens. Keith en Christine van de Poco Andante wilden graag op Meis passen, zodat we met de bus naar Noia konden (honden mogen niet in de bus (natuurlijk missen we de bus en moeten we alsnog met de taxi)). We maken van de gelegenheid gebruik om Noia te verkennen. Het is een leuk stadje en we nemen een kijkje in een oude kerk, zitten lekker op een terrasje en gaan dan met de bus terug naar de Zilver. Meis heeft een heerlijk dagje wandelen erop zitten en we bedanken Keith en Christine met een dineetje op de Zilver. De dag erop staat een beach-barbecue op het programma: de Poco Andante heeft het initiatief genomen om met een aantal schepen gezellig op het strand een feessie te bouwen. De Akane is van de partij, evenals de Duitse Folkeboot Tadorna (een 7,5 meter lang houten scheepje waarbij de havenmeester verbaasd uitriep of ze daarmee helemaal uit Duitsland waren komen varen (ja dus)), een Nederlands schip (Anna, 9,5 meter en staal) en nog een Frans schip met echtpaar met 2 kleine kinderen. Er wordt hout gesprokkeld, een kuil gegraven, een fikkie gestookt en even later kan er gebakken en gebrajen worden. Het is een prachtige warme avond en terwijl er weer allerlei talen door elkaar worden gebrabbeld, worden sommige stukken vlees zo zwart als roet en vloeit de drank rijkelijk. Kortom: het wordt een groot succes dat tot ver na middernacht voortduurt. De dagen erna zitten we met z’n allen een storm uit: er raast windkracht 8 over onze boten en er vallen aardig wat millimeters regen in krachtige buien, de eerste sinds weken. Als we zaterdag voor een gesloten winkel staan, besluiten we mosselen op het strand te gaan vergaren. Dat waren we al vaker van plan, maar we hadden het nog nooit gedaan. Bij laag water sjokken we - gewapend met plastic zakken - naar het strand, waar op de rotsen miljoenen mosselen “wonen”. We plukken ze van de rotsen, maken ze goed schoon en…smullen maar! De andere boten hebben gezien wat we deden en wachten eerst een dag af of we niet ziek worden en als dat niet het geval blijkt te zijn, willen ze natuurlijk ineens allemaal. Dus de dag erop wordt op de Zilver een mosselfeest georganiseerd. Eerst weer met z’n allen het strand op om mosselen te plukken en in de uren daarna wordt - terwijl de storm en regen weer over ons heen gieren - de ene pan mosselen na de andere of tafel gezet en soldaat gemaakt (we schatten zo’n 12 kilo voor 8 personen, maar alles is “schoon op”). Het wordt alweer laat (vroeg dus eigenlijk), maar dat mag de pret niet drukken. Dan krijgt Hans-Jurgen van de Akane het bericht dat zijn 86-jarige moeder haar heup heeft gebroken tijdens een val. Zij moeten terug naar Duitsland. Voorzieningen worden getroffen om hun schip goed achter te laten en wij besluiten te blijven tot zij weg zijn, zodat we ze eventueel met een huurauto ergens naar toe kunnen brengen. Omdat we nu toch moeten wachten is dat natuurlijk een mooi moment onze website weer te updaten. En daar boffen jullie dan maar weer mee zal ik maar zeggen.’s-Avonds krijgen we te horen dat de operatie goed verlopen is en dat moeders niet wilt dat haar zoon de reis afbreekt voor zoiets. De Akane besluit om verder te reizen en trekt een fles champagne open om beide redenen te vieren, natuurlijk ook met ons en andere.