22-06   05-07   23-07   22-08   24-09   08-10   18-12   07-02-2004   22-02   02-05   10-05   WEER THUIS  

5 juli, Le Havre - L'aberwrac'h


Ja, daar zijn we weer met een update. Het zoeken van internetcafés valt nog niet zo mee, maar we hebben d’r weer 1 te pakken. We hadden er al eerder een gevonden, maar daar konden we alleen onze persoonlijke mail beantwoorden. De website konden we alleen bekijken en we konden daar geen mail beantwoorden. Bovendien was de tijd beperkt omdat het via een telefoonkaart moest, dus we hebben maar een klein gedeelte kunnen bekijken van alle leuke reacties die zijn binnengekomen. Dat kunnen we vandaag goedmaken. Wat ook even wennen is: de toetsenborden hier in Frankrijk zijn ‘AZERTY’ wat inhoudt dat alle letters op een andere plaats zitten dan wij gewend zijn. Af en toe typen we dus de meest wilde woorden, maar het begint wel te wennen.


5 Juli, Le Havre

Ziezo, weer terug in Le Havre, want dat is een beter uitgangspunt voor onze volgende etappe. Maar ja, die wind he, ’t is gewoon nooit goed. We darren nog wat rond in de stad. Het is overigens de zwaarst getroffen stad van Frankrijk in W.O. II. Net zo iets als bij ons Rotterdam. Als we voor de zoveelste keer langs de bizarre kerk komen, die bij aankomst in Le Havre als een soort wolkenkrabber overal bovenuit torent, besluiten we naar binnen te lopen. Wat een verrassing! Het hele gebouw, inclusief toren blijkt van gekleurd glas te zijn voorzien, zodat als het licht erin valt, de hele kerk een oase van gekleurde lichtvlekken wordt. Bovendien is de ernome toren ‘hol’ zodat je er helemaal in naar boven kan kijken.

Deze kerk was het laatste werk van Auguste Perret die het tussen 1951 en 1957 heeft gemaakt.En nog steeds geen wind. Soms een beetje uit het zuidwesten, maar daar willen wij naar toe. En maar wachten tot de wind uit de goede richting komt en de juiste sterkte heeft, het leek wel een eeuw te duren en zoveel tijd hebben we nu ook weer niet, dus maar weer op de motor 53 zeemijlen draaien. Rond 12.00 uur vertrekken we naar Saint Vaast waar we rond 22.00 uur aankomen. We wilden bij licht aankomen in verband met de diverse rotsjes die fier (net onder of) boven het water uit priemden.


6 juli, Saint Vaast

Een absolute aanrader om in de baai te ankeren. Een prachtige omgeving met helder water in een heiige nacht. Als poortwachters doemen de ruïnes van St. Vaast op in het donker. Na uiteindelijk de cardinale boei gevonden te hebben, lieten wij ons anker zakken. In de baai heb je haast geen last van de stroming en je ligt er heerlijk beschut. Ankeralarm aan en rond 01.00 uur kropen wij lekker in bed. Wat heet lekker: er waren er twee aan boord die zich met belangrijkere zaken bezighielden. Ja, ja: hond Meis zou en moest aan boord plassen, want dit was de perfecte gelegenheid om het uit te proberen. Het was al meer dan 13 uur geleden dat ze voor het laatst haar behoeften had gedaan. Eigenlijk was er maar 1 die zich hier echt mee bezighield (Marianne natuurlijk), want de andere (Meis) vroeg zich af waarom die ene zich zo druk maakte. Laatstgenoemde gaf althans niet aan dat de boel op springen stond. Het was alom een komisch schouwspel. Na 3 hondenbrokmaaltijden en flink wat bakken water kwam dan eindelijk, na 26 uur, de langverwachte plas. Iedereen was dolblij (tja, je kan maar ergens blij om zijn) en de koekjes vlogen Meis om de oren. Om het feest compleet te maken hebben we de rubberboot opgeblazen (die inmiddels de naam Zilvervloot achterop heeft staan) en richting strandje om Meis zich helemaal uit te laten leven. De volgende dag zijn we met de bijboot naar het dorpje gevaren, maar daar is niet zo veel aan en ook hier moet je in een lock en kan je er een uurtje voor en een uurtje na hoogwater uit. Dit is echt een beperking, zeker als je een paar dagen blijft liggen omdat dan het tij vaak ongunstig is om te vertrekken.

Toen we terugkwamen uit het dorpje en in de Zilvervloot naar onze boot terugkeerden, zagen we plotseling wat vreemds in het water. Marianne dacht in 1e instantie dat het een zinken vuilnisemmerdeksel was die er dreef (daar werd ze later natuurlijk door Paul om uitgelachen, want zinken deksels zinken), maar direct daarna zagen we dat het een maanvis was (en dus wel ter grootte van een zinken vuilnisemmerdeksel!) die ons met z’n ene oog loom aanstaarde en even met zijn vin boven water een groet bracht. We waren helemaal perplex: zoiets zie je toch alleen bij Jacques Cousteau? Paul vermeldde wel direct daarop dat hij zijn hengel voorlopig niet zou gebruiken, aangezien hij geen zin had een dergelijke vis van zijn haakje af te peuteren. Uiteindelijk hebben we twee nachten voor anker gelegen, wachtend op goede wind…..


8 juli Cherbourg

Om 08.00 vertrokken met stroompje mee. Nou, stroompje: we haalden een gemiddelde(!) van 9 knopen gedurende de hele tocht. Wat ging dat snel zeg. Enig nadeel: geen wind, dus maar weer moteren. In Cherbourg krijg je echt het gevoel richting zuiden te gaan. Mooi weer, palmbomen en iedereen buiten tot ’s avonds laat. Meis was de lieveling van de steiger: aan aandacht geen gebrek. Zowel kinderen als volwassenen visten met veel plezier haar bal uit het water (die ze er dus telkens expres weer in liet vallen). En over vissen gesproken: om de zoveel tijd werd in de haven een soort vissenrace gehouden. Waarschijnlijk zat er een actieve ‘jager’ met hongergevoel, want de kleine visjes sprongen in grote getale met zulke kracht boven het water uit dat het net leek of er een kudde piranha's door het water ging: plekken met een doorsnee van circa 5 meter met kolkend water: prachtig om te zien. In Cherbourg hadden we een weerzien met de Tristan (ja, de naam is dus inderdaad een eerbetoon aan de schrijver Tristan Jones). Zij hadden problemen met het roer en lagen al 1 week te wachten op de monteur. Wat een prachtig schip hebben ze: een Koopmans 50 in perfecte staat. En een zee van ruimte binnen. Toen we dag 2 in de vroege uurtjes wilden vertrekken, om 06.00 uur (jahaa PPS-ers, jullie lezen het goed) bleek dat de haveningang niet meer zichtbaar was vanwege de mist. Lekker terug naar bed dan maar weer. De hele dag was alles in een dichte nevel gehuld en vanwege de vochtigheid kwamen er wolkjes uit je mond.

De volgende dag vertrek naar St. Malo, 90 mijl en natuurlijk……..


10 juli, Saint Malo

…….geen wind. Weer die stomme motor aan. (Zou dat komen omdat we een nieuwe motor hebben Hans?) We moeten in 1 keer 90 mijl overbruggen omdat de kanaaleilanden Engels grondgebied zijn en dus verboden voor honden. We zoeven tussen de eilanden door via een stukje dat de wel zeer toepasselijke naam ‘race of Alderney’ heeft. Er staat zo’n gigantische stroming dat het water eruit zien alsof iemand in een hete pan soep staat te roeren. De rotsen die 10 meter diep liggen zorgen ervoor dat er steile golven zijn en dat het water ertussendoor wordt geperst. Gaaf om te zien. 13 Uur later zijn we in St. Malo, een aanloop om nooit te vergeten zo mooi: overal om ons heen rotsen die uit het water steken, met daarop immense bakens bij wijze van boeien van soms wel 12 meter hoog en op de hoge kust naast ons het plaatsje Dinard met statige witte huizen in het zonlicht. Je moet goed navigeren en goed opletten dat je de juiste route neemt (want er zijn er zo’n 5 die je niet even snel binnendoor kan nemen), maar na eenmaal de splitsingsboei gepasseerd te zijn hoef je alleen nog maar 129 graden te koersen en dan kom je d’r wel. In St. Malo gaan we aan een meerboei liggen en sjeezen weer met de Zilvervloot naar de kant.


11 juli St. Malo, De Grote Ongeluksdag

Soms zit het mee en soms zit het tegen. Als we ’s morgens met de Zilvervloot naar de kant willen krijgt Paul de buitenboordmotor niet aan de praat. Dan maar roeien. Paul blijft aan de motor prutsen (tot er een gigantische knal uitkomt), terwijl Marianne met Meis de kant opgaat. De buitenboordmotor is dus kaduuk en een klepje is bij de harde knal het water ingespuugd. We proberen nog met een duikbril te zoeken op de bodem (het water is helder genoeg en maar 1 meter diep), maar helaas: umsonst. Dan maar weer terug naar de Zilver roeien, Meis aan boord zetten en een plan-de-campagne maken. Mooi niet. Op het moment dat wij ook aan boord geklauterd zijn, zien we dat Meis er heel vreemd bijstaat, alsof ze een enorme kramp in haar poot heeft. We zien al snel wat er aan de hand is: de binnenkant van haar dij is door iets heel scherps opengereten en ze heeft een soort carpaccio-achtige snee van zo’n 10 bij 6 cm. We schrikken ons een ongeluk. De wond is echter heel schoon en bloedt niet. Als een speer slaan we aan het bellen om zo snel mogelijk bij een dierenarts te kunnen komen, want haar poot staat er maar vreemd bij en we willen haar niet met de bijboot vervoeren in verband met viezigheid en water. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan: in de best te bereiken haven is geen plaats voor ons, ook niet met gewonde hond. We moeten wachten op de sluis naar de andere haven. Ondertussen belt Marianne de havenmeester om uit te leggen dat we een plekje aan de kant moeten hebben, de toestisteninformatie voor het adres van de dierenarts, de dierenarts om te zeggen dat we eraan komen en de taxicentrale voor vervoer. Dat laatste was het lastigst: ze spreken geen Engels en op het moment dat Mariannes Frans te onbegrijpelijk werd, gooiden ze de hoorn op de haak. Zodra we door de sluis waren dus maar naar de Toeristeninfo gelopen (was gelukkig vlakbij) en hen gevraagd een taxi te bestellen. Dat lukte beter, hoewel het meisje bij de infobalie haar ogen ook ten hemel hief omdat de taxicentraledame, zoals ze later zei ‘heel onsympathiek’ was. Paul bleef bij de boot omdat we niet wisten of er getijverschillen waren (bleek later van wel) en Marianne met Meis in de taxi naar de dierenarts. Toen zij weer in haar beste Frans aan de assistente probeerde uit te leggen wat er loos was, zei de assistente: ‘je mag gewoon Nederlands praten hoor!’. Dat was effe makkelijk in zo’n situatie. Meis moest een paar uur blijven om onder narcose gehecht te worden en mag 10 dagen niet zwemmen (wat een crime). ’s Avonds blijkt Herman op ons antwoordapparaat te staan. Dit verklaart De Grote Ongeluksdag: als Herman bij ons aan boord is gaat er altijd wat fout!


14 juli, nog steeds St. Malo

We besluiten enkele dagen in St. Malo te blijven liggen, want Meis kan amper lopen. St. Malo is een bijzondere stad: er is een deel dat Intra Muros heet: een stadswijk binnen enorme muren waar je overheen kan lopen, erg mooi. Het ziet eruit alsof het honderden jaren oud is, maar het is pas 50 jaar oud. In WO II is het grootste deel ervan platgegooid (door de Amerikanen omdat ze dachten dat er honderden Duitsers zaten, terwijl er maar een stuk of 40 zaten) en in exact dezelfde stijl en met zoveel mogelijk de oorspronkelijke (genummerde) stenen weer opgebouwd. Wat een klus moet dat zijn geweest! (Amerika heeft het als goedmakertje gefinancierd). ’s Avonds zien we de politie en de brandweer wat auto’s verwijderen die te laag stonden geparkeerd. Wegens volle maan is het tij wat hoger dan normaal en de nietsvermoedende parkeerders moesten met lede ogen aanzien hoe het water al boven de wieldoppen kwam te staan. Inmiddels hebben we een buurman uit Engeland, Richard, die 18 maanden onderweg is geweest op een Swan 38 (uit Amerika met de Nederlandse naam Dolfijn) en een groot deel daarvan solo heeft gevaren. Van hem hebben we veel tips voor de tocht naar Gibraltar. Op 14 juli, de grote feestdag in Frankrijk, nodigt Richard ons uit om in de haven waar zijn vrienden met 2 boten liggen te komen barbeknoeien. Het eten slaan we af maar we gaan wel voor de borrel. We ontmoeten zijn vrienden, 2 Engelse stellen en het is echt beregezellig. Ze staan daar gewoon op de steiger te bbq-en (moesten wij eens proberen in Nederland) en aan het eind van de steiger staat een groep Fransen hetzelfde te doen. Terwijl we staan te kletsen, komen de bbq-ende Fransen vriendschap sluiten. Het wordt steeds gezelliger. Er worden inmiddels allerlei talen door elkaar heen gebrabbeld (de Engelsen spreken geen Frans en de Fransen geen Engels en Marianne moet regelmatig als tolk optreden) maar na een poosje verstaat op de 1 of andere manier iedereen elkaar. Dit is echt geweldig! En dan begint het feestvuurwerk. Zoals de Fransen dat doen is echt onovertroffen. Het is een prachtige compositie van gedichten, schitterende muziekstukken, vuurwerk en lasershow. Je weet niet wat je overkomt: kippenvelwerk. ’s Avonds gaan we met z’n allen nog even dansen bij de live-band die er speelt en we gaan veel te laat naar bed, want ’s ochtends moeten we weer vroeg op pad.


15 juli, Lezardrieux

Ze hebben ons een noordoosterwind beloofd. Vol verwachting van de mooie zeiltocht die ons te wachten staat gooien we de trossen los en ja hoor, er staat gewoon een westenwind variërend van 0 tot 3. Bah, bah, bah, weer niet zeilen. Dit is echt niet leuk meer. Een stief uurtje vanaf de haven vaart naast ons een klein vissersbootje. Uit tegenovergestelde richting komt een groot beroepsvaartschip aanvaren. We kunnen niet te veel aan de kant varen vanwege de rotsen onder water. De noeste visser, rechtop in zijn kuip staand, helmstok strak tussen zijn benen geklemd, armen over elkaar, kijkt ons constant indringend aan. Marianne begint er een beetje zenuwachtig van te worden en vraagt aan Paul-achter-het-roer of ie toch niet een beetje aan de kant kan. Het grote beroepsschip komt ondertussen dichterbij en dichterbij en de visser blijft ons maar gebiologeerd aanstaren. En dan plotseling duikt hij naar voren zijn boot in en we zien alleen nog zijn gekromde rug en dito achterwerk. Zijn boot vaart nu stuurloos richting beroepsschip. Ineens springt hij weer tevoorschijn en tilt triomfantelijk, met een brede grijns, 2 enorme kreeften als waren het Uefacupbokalen boven zijn hoofd. Wij zijn op dat moment net zo blij als hij, maar dan van de opluchting en we steken – eveneens breed lachend - tegelijkertijd alle duimen die we hebben omhoog om hem duidelijk te maken dat we de blijdschap van zijn triomf delen. Het beroepsschip passeert ondertussen: ruimte zat. Onderweg begint achter ons een onweer en gedurende een paar uur draait het heel langzaam om ons heen terwijl zich voor ons een nieuwe onweerswolk opbouwt. De bliksemschichten blijven echter op afstand (de regen niet). We zijn op weg naar Lezardrieux, een tocht van 50 mijl. Dit plaatsje was een aanbeveler van zowel de Engelse Slipper I als onze Franse overburen en we danken ze daar hartelijk voor! Lezardrieux ligt een stukje de Trieux-rivier in, vanaf zee zo’n 8 mijl landinwaarts. Het wordt zo afgezaagd om iedere keer maar te roepen ‘prachtig’, maar het is nu eenmaal niet anders. Moet je je voorstellen: een rivier tussen ruige rotsen en groene hellingen met zandstrandjes, met doorzichtig blauw water en overal bootjes, zowel varend als voor anker. We leggen aan bij een meerboei voor de haven want in de haven is geen plaats. We willen hier proberen onze buitenboordmotor te laten maken. Paul besluit met de Zilvervloot naar de kant te peddelen om Meis uit te laten. De stroming doet al aardig z’n werk en Paul moet flink aan de riemen hangen om het kleine stukje naar de steiger te overbruggen. Als hij echter 1 uur later terugkomt, is inmiddels wat wind opgestoken, de stroming wat verergerd en de rivier in een snelstromende massa veranderd (och ja, het is 2 dagen na volle maan). Tja, daar sta je dan met je peddeltjes: tegen de tijd dat je de bijboot hebt losgegooid, lig je al 1 kilometer verderop. De havenmeester heeft echter een bootje met werkende motor en neemt Paul op sleeptouw, dwars door de stroming heen. Het ziet er spectaculair uit: beide bootjes liggen dwars op de stroming en de Zilvervloot inclusief Paul zwiept als een kermisattractie over de golven. De volgende dag varen we de haven in. In het dorpje hebben we al een internetcafé gezien, maar daar blijken we alleen de persoonlijke mail te kunnen beantwoorden en niet de reacties die via de website zijn binnengekomen. Bovendien kunnen we de site niet updaten. En wat schetst onze verbazing: in het kleine dorpje dat uit 5 huizen en een paardenkop bestaat, blijkt zich zowaar een Suzuki-buitenboordmotor-werkplaats te bevinden! We sjouwen met ons rammelende karretje (dat bij de standaarduitrusting van de boot hoort en waarvan we al vaker plezier hebben gehad) de motor erheen en proberen in het Frans, Engels en Koeterwaals duidelijk te maken wat het euvel is. Om het geheel wat te verlevendigen maken we er ook nog geluiden en gebaren erbij die doen bevroeden dat de motor aan een enorme explosie onderhevig is geweest. De patron van de Suzuki-buitenboordmotor-werkplaats blijft echter kalm en zegt dat hij ‘m wel kan maken, maar ‘pas maintenant’. Ojee denken we, daar gaat ons jaar vakantie, maar het valt mee: de volgende ochtend om 10.00 uur (‘Franse tijd’ voegt de man er nog ernstig aan toe (is dat hetzelfde als een Brabants kwartiertje?)) kunnen we ‘m alweer ophalen mits we natuurlijk eerst de rekening voldoen. Er worden stormwaarschuwingen afgegeven tot windkracht 8 dus we blijven hier maar weer even rondhangen. Dan is er eindelijk wind, is het weer te veel. Het is ook nooit goed bij de zeilers!


18 juli Locquirec

Geweldig: een zuidoosterwind kracht 4 a 5. Mooier kan het niet toch? Nog snel even diesel tanken en los met die tros. We varen de rivier uit en……….geen wind. Gewoon helemaal niks komma nul nada noppes. Jullie raden het al: le moteur aan. Balen met de grote B. We moteren een eindje weg en dan ziet Paul opeens op 3 uur een kleine open catamaran ver weg, waar iemand met 2 armen tegelijk staat te zwaaien. Problemen waarschijnlijk. Dus direct het roer om en er naar toe varen maar. Als we wat dichterbij zijn zien we 2 personen op het bootje zitten, dat nog vol onder zeil ligt. Marianne staat op de punt van de boot om alvast te zien wat het probleem kan zijn en als de 2e persoon op het bootje blijft zitten denkt ze: ‘ojee, een gebroken been of arm’. Maar wat blijkt al snel: de man en zijn zoon (de zittende die het roer houdt) zijn gaan zeilen, maar ineens viel de wind weg (hadden wij ook wel gemerkt) en de man zou over een half uur iemand op het station gaan ophalen, maar nu er geen wind was zouden ze nog ongeveer 4 uur aan het varen zijn, want ze hadden geen buitenboordmotor en of ze even van onze mobiele telefoon gebruik mochten maken. Nou ja!! Maar, geen probleem, we gaan langszij varen, de man maakt z’n belletje en na 5 x merci vervolgen we onze koers weer. Paul trekt ondertussen de stoute schoenen aan en gooit een hengeltje uit. En jaaahaaah, de 1e vis wordt gevangen: een makreeltje, njammie. Paul vermoordt het arme beestje vakkundig en gooit de hengel weer uit (nou niet de hele hengel hoor). En er steekt ineens wat wind op. Als een speer hijsen we de zeilen, maar het is weer niet goed. Het is een krachtje 3 en echt recht van achteren. Na 1,5 uur met klapperende, flapperende van links naar rechts en van boven naar onderen overslaande zeilen te hebben gevaren en waarschijnlijk alleen door de stroom vooruit te komen, geven we het op. Dit is ook niks. Ondertussen vangt Paul met de regelmaat van de klok een makreeltje. 2 Ontsnappen hem, maar van 1 was het niet zo erg want die had gemene oogjes vond Marianne. Maar, ons avondmaaltje was verzekerd. We varen met de motor op halve kracht door en dankzij het vissen van Paul en het practige weer is het toch een leuke tocht, zeker als Paul-met-de-verrekijker-aan-zijn-hoofd ineens roept: ‘Marianne snel kijk, een dolfijn ofzoiets’. Marianne (alias Arendsoog) kijkt, maar ziet alleen iets zwarts, wat ook een vogel kan zijn, totdat…….er schuimend water opspat als het beest (zou het een dolfijn of een bruinvis zijn geweest??) onderduikt. Waaaauw, we hebben – zij het ver weg – onze eerste zoogdier-vis gezien, als was het dan alleen maar een vinnetje. De rest van de tocht zitten we beiden natuurlijk speurend over de zeereling te turen en dan meen je dus echt overal vinnetjes te zien die er helemaal niet zijn. We passeren Les Sept Iles, zoals het woord als zegt: een eilandengroep van 7. Hoewel daar veel mooie ankerplaatsen zijn varen we om de eilandengroep heen. De reden hiervan is dat we geen detailkaarten hebben en er erg veel rotsen en andere onvoorziene omstandigheden onder water loeren. We hebben echter wel detailkaarten gekocht van Lannion, waar de baai van Locquirec recht voor ligt. Ook voor de aanloop van Lannion kozen we voor de safe route. Net het laatste halfuurtje dat we nog voor de boeg hebben, steekt ineens de beloofde wind op. Maar we zitten dan al in de baai, waar we heel strak moeten navigeren op de detailkaart om alle onderwaterliggende rotsen te ontwijken. Aangezien de wind behoorlijk sterk begint te worden besluiten we aan hoger wal te gaan ankeren en tot onze blijde verrassing blijken in het stukje baai bij Locquirec meerboeitjes te kust en te keur te liggen, zodat we ons geen zorgen hoeven te maken dat het anker losslaat in de nog steeds aanwakkerdende wind. Wel zetten we voor de zekerheid nog even het dieptealarm aan, want de boeitjes liggen net op de grens van 3 meter en het verval hier is zo’n 7 meter. Het haventje van Locquirec is geen optie want dat valt droog en wordt derhalve alleen door de ‘locals’ met hun kleine bootjes gebruikt. De Zilvervloot brengt ons naar een strandje vlakbij met flink wat rotsen. De eerste keer verkijkt Paul zich op de branding en wordt met boot en al op die rotsjes gegooid, maar het loopt gelukkig goed af. Wat een prachtig strandje is het, ongelooflijk. De door het tij afgeschuurde rotsen hebben de meest prachtige ronde en ovale vormen, allemaal in dezelfde richting. En op die rotsen zie je bij laag water miljarden, maar dan ook echt miljarden mosselen zitten. En in ondiepe poeltjes zie je overal kunstwerken van zand met steen, die veroorzaakt zijn door de sporen van zeepieren. En schelpen zoveel je wilt. En het water is azuurblauw en echt kraak- en kraakhelder. De plek aan het boeitje is niet helemaal comfortabel merken we al snel. Bij rijzend water schommelen we op en neer alsof we in een attractie van de Efteling zitten. Dat mag voor ons de pret niet drukken, maar Meis vindt het niet zo fijn. (Terwijl ik dit zit te typen is het dus rijzend water: typen met handicap). De volgende dag gaan we alles eens goed verkennen. We tillen de bijboot helemaal omhoog (een metertje of 30 strandopwaarts (pffffft, heftig sjouwen)) naar de groene wal, want bij hoogwater staat bijna het hele strandje onder water. (Dan moet je ook echt over de rotsen klauterend weer naar je bijboot terug). Och, och wat is het mooi. Achter de rotsen en het strand kan je nog verder omhoog lopen en dat kijk je van grote hoogte over de zee (Cotes d’Armor), de rotsen en de baai waar onze boot ligt. Het is zoals je alleen altijd op ansichtkaarten ziet. We maken foto’s bij het leven, zowel met de digitale als met de spiegelreflexcamera. Als ‘onkruid’ groeien er de meest mooie bloemen. Een zandpaadje langs prachtige huizen (met-uitzicht-op-zee) naar het dorpje, waar we bij Chez Tilly te gast zijn. Een bijzonder artiestencafé met aardige mensen, waar we voor het eerst weer normale prijzen voor de drank betalen. Terug bij de boot drinken we, met uitzicht op de rotsen en daarachter een prachtig ondergaande zon nog een drankje onder het genot van muziek van de Buena Vista Social Club en we hebben op dat moment echt het gevoel in heel zuidelijke sferen te zitten, geweldig! Het enige wat een domper op de feestvreugde zet is dat Meis haar gewonde poot gestoten heeft aan een rots en dat er een enorme bult op is gekomen. Morgen moeten de hechtingen eruit en eigenlijk wilden we dat zelf doen, maar omdat ze nog steeds niet goed loopt en nu die bult heeft, gaan we de volgende dag op een dierenarts uit. Via de Toeristeninformatie krijgen we de adresgegevens door en dat wordt weer een heel avontuur, want de dierenarts zit niet in het dorp zelf. Langs het strand lopen we naar het volgende dorp (zo’n kilometer of 7) en daar vinden we…….. een Belgische vrouwelijke dierenarts! We kunnen het hele verhaal in het Nederlands vertellen en de hechtingen worden verwijderd. De wond is prima genezen, maar de dierenarts vertrouwt het niet dat Meis nog steeds hinkt en ze verwijst ons door naar een orthopedisch dierenspecialist in Lannion (20 kilometer verderop). Ze belt hem op om alles uit te leggen en als ze het niet zo druk had zou ze ons graag brengen en we hoeven geen consult te betalen! Dus maar weer een taxi geregeld en op pad. De specialist geeft ons minder goed nieuws. Het blijkt dat toen Meis haar wond heeft opgelopen, dat ze tegelijkertijd haar knie heeft beschadigd. Er zit een scheur in het kniekapsel en doordat ze haar poot heeft gestoten is het gewrichtsvocht uit haar knie gelopen en dat is ernstig. Opereren heeft geen zin. Het enige wat helpt en wat ook heel belangrijk is: niet meer bewegen gedurende 1 maand! De specialist zegt letterlijk: zet de hond 1 maand lang op de boot en laat haar daar niet meer afkomen. Wat een ramp: Meis mag 1 maand land niet rennen, spelen, zwemmen, niks. Ze mag alleen haar behoeften doen en moet dan weer gaan liggen. Marianne ligt de halve nacht wakker en stelt de volgende dag aan Paul voor om toch maar naar Amerika over te steken: dan zijn we 1 maand onderweg en dan is het leed geleden. Maar ja, da’s natuurlijk ook geen oplossing. We zullen ons er op 1 of andere manier aan moeten houden, anders krijgt ze artrose en daar vinden we haar echt nog te jong voor. De taxikosten zijn overigens hoger dan de rekening van de specialist.


22 juli, L’Aber- Wrac’h

(Ja, jullie lezen het goed: het is erg Bretons om overal een ‘ in de naam te zetten. Ze spelen hier trouwens ook heftig doedelzak, dus volgens ons heeft Bretagne vroeger aan Schotland vastgezeten). De wind is afgenomen naar 4 Bfr Z-ZW met af en toe regen en onweer. In Quessant, Iroise, Yeu, Rochebonne (Franse aanduiding van de verschillende meteo zones) wordt nog steeds een stevige 7 afgegeven. Ook in het westen van Plymouth een 6. Wij zitten in het Oosten van dit gebied. Het wordt weer eens tijd voor een tochtje. Wij starten met het motortje en rond 15.00 uur hebben wij heerlijk gezeild tot aan de aanloop van L’Aber-Wrac’h. Het is wederom prachtig met meerdere aanlopen, afhankelijk van de diepgang allemaal komen zij bij een Noord Cardinaal Pt POT de Beurre uit. Met een knoopje of 7 varen wij de riviermonding op om te ankeren of een meerboei te pikken. Gelukkig was er nog een boeitje vrij en wij zijn blij dat we hier even geen last hebben van de zeedeining. We hoeven ons niet in te spannen als we iets willen pakken, das lekker!