22-06   05-07   23-07   22-08   24-09   08-10   18-12   07-02-2004   22-02   02-05   10-05   WEER THUIS  

22 FEBRUARI, Nog steeds Gibraltar 

De afloop is simpel: het blijft gewoon nog enkele dagen bar en boos. Tanger kunnen we wel vergeten: daarvoor is geen tijd meer. Dan komen we bij toeval een zeilmaker tegen. We vragen hem of hij onze biminitop kan maken. Hij heeft zelf geen tijd maar verwijst ons naar een concullega van hem, Berndt Seisenbacher, een Oostenrijker die al jarenlang in Spanje woont. Van professioneel surfer is hij nu zeilmaker geworden. Een bijzonder aardige man, die zich ook nog eens perfect aan zijn afspraken houdt. Dat kom je in deze contreien niet vaak tegen! Hij maakt onze biminitop (perfect) en we vragen hem dan ook een UV-strook op onze genua te zetten. Toen we de genua kochten in Nederland zei de zeilmaker dat een UV-strook niet goed was voor het zeil, dus hebben we dat toen niet gedaan. Maar we zijn ook te laks om telkens in de haven de ‘slurf’ eroverheen te trekken, omdat het een tijdrovende en vervelende klus is. Berndt laat ons een monster zien van een nieuw materiaal dat tegenwoordig als UV-strip wordt gebruikt. Het wordt plat op het zeil geplakt en dan vastgenaaid. Ziet er goed uit, dus we geven het zeil mee en spreken af dat als we uit Gibraltar vertrekken hij het naar Barbate (Spanje) komt brengen. De volgende dagen blijft het weer slecht en wie komen wij dan tot onze grote verbazing tegen: Phil-zonder-achteruit (die toch had gezworen dat ie geen voet in Gibraltar wilde zetten). Hij is wat langer in Smir (Marokko) gebleven en had wel een leuk verhaal over zijn vertrek uit de haven. Hij is nog regelmatig met de bus op en neer gegaan naar M’diq en daar werd hij een paar maal aangesproken door een man (Abdul) die zei dat als Phil-zonder-achteruit iets speciaals wilde hebben, hij maar naar hem moest komen. Maar Phil-zonder-achteruit wilde helemaal niks speciaals hebben en vertelde dat ook aan Abdul. Maar telkens als hij zijn neus maar even in M’diq liet zien, stond Abdul er weer voor (die neus bedoel ik dan). Enfin, Phil-zonder-achteruit wil ’s ochtends heel vroeg de haven verlaten in verband met de stroming en krijgt de politie aan boord. Ze halen zijn hele boot overhoop en beginnen hem uit te horen over zijn vriend Abdul. “Abdul is helemaal geen vriend van mij” zegt Phil, maar de politie gelooft hem niet: ze hebben hen zo vaak zien praten. Het blijkt dat Abdul een drugsdealer is en in Phil wel een aardig klantje zag. Maar wie heeft de politie nu gevolgd: Abdul of Phil?? Phil wordt echter heel kwaad op de politie: toen hij in Smir aankwam had de politie zijn boot ook al doorzocht. De politie kan uiteraard niks vinden en laten hem gaan. De stroming begon om 07.00 mee te lopen en pas om 11.00 uur laat de politie ‘m gaan. Onderweg kreeg hij windkracht 10 voor z’n kiezen, is met z’n boot plat komen te liggen en heeft tenslotte in zijn uiterste nood toch maar voor Gibraltar gekozen. Als troost gaan we met Phil uit eten (hij heet overigens geen Phil-zonder-achteruit meer want de achteruit is inmiddels gemaakt (er zat alleen een kabeltje los)). We vinden een leuk restaurantje en net als we ons eten ophebben wijst Phil achter Marianne en vraagt of ze het gezien heeft. “Wat moet ik gezien hebben?” vraagt Marianne en kijkt achterom. “Die kakkerlak” zegt Phil “De grootste die ik ooit heb gezien” (en Phil heeft jarenlang in Saoedi-Arabië gewerkt, dus dan heb je wel verstand van kakkerlakken dunkt ons). Marianne kijkt in via de spiegel die achter haar hangt naar het schilderij waarachter de vermeende kakkerlak zich moet bevinden, maar maakt zich nog nergens druk over. Totdat ze de kop van het beest tevoorschijn ziet komen. Slik. Voor de zekerheid staat ze maar op, want het schilderij hangt niet zo ver. Dan kruipt het beest tevoorschijn. Ongelooflijk wat een knoeperd. Hij (of zij (we zijn niet zo dichtbij gekomen dat we het geslacht konden bepalen)) meet zeker 8 centimeter lang en is zo’n centimeter of 4 breed. En scharrelt richt bank waar Marianne zat. Die begint als een gek alle tassen en jassen weg te sleuren. Stel je toch voor dat je op zoek bent naar je portemonnee en je hebt dat beest ineens in je handen. Of stel je voor dat ie je boot wel leuk vindt. Als een speer drinken we onze drankjes op en gaan weg. Buiten regent het natuurlijk pijpenstelen, dus we blijven nog even onder het afdak schuilen om dan ook nog net te zien hoe een hondje precies voor de ingang van het restaurantje een flinke drol draait. Nou ja zeg! De tranen van het lachen lopen ons over de wangen. Daar gaan we dus maar niet meer eten! De volgende ochtend zien we dat de weersverwachting er goed uit ziet. Dat wordt morgen vroeg vertrekken: rond 07.00 uur moeten we op pad om de stroming helemaal mee te krijgen. De Queensbay Quay Marina wordt ’s nachts echter altijd afgesloten, omdat ze bang zijn voor een olieramp, dus we moeten de nacht buiten de haven aan de steiger doorbrengen.


29 februari Barbate 


In alle stilte gooien we om 07.00 uur de trossen los en zetten de zeilen. Omdat Berndt onze genua mee heeft genomen, staat de high aspect erop. Dat komt goed uit want volgens de voorspellingen moeten we hoog aan de wind varen. Niet dus. We hebben ruime wind en het zeiltje staat er een beetje zielig bij. We ronden Tarifa met het grootste gemak en langzaam verdwijnt de Straat uit ons gezicht en deinen we weer op de Atlantische Oceaan, heerlijk! Als we in Barbate arriveren en de gebruikelijk administratieve formaliteiten afhandelen, laten we tevens de rekening uit Ceuta zien, waarop dat belachelijk hoge bedrag voor belasting stond. We vragen of we dat geld hier terug kunnen krijgen. De 2 dames achter de balie zijn verbluft: hier hebben ze nog nooit van gehoord. Ze vinden het belachelijk dat we dat bedrag hebben moeten betalen, maar ze kunnen ons helaas niet helpen. We hadden eigenlijk niet anders verwacht. Als we ons plekje in de haven invaren worden we bij het aanleggen geholpen door een vrouw van een schip dat een stukje verderop ligt. Over dat schip hebben we al verhalen gehoord en als we met de Duitse vrouw aan de praat raken blijken de verhalen waar te zijn. Zij is met haar echtgenoot al 25 jaar onderweg en hebben al die jaren rondgezworven in de Middellandse Zee. Nu liggen ze al enkele jaren in Barbate. Zo ziet het schip er overigens ook wel uit: de rolgenua hangt in flarden aan het voorstag te bungelen en de geraniums groeien met grote trossen onder het schip uit. Ze vertelt dat ze nu een huis gaan kopen, omdat haar man niet meer zo goed ter been is en dat het schip te koop wordt gezet. Verstandige beslissing denken wij. We maken weer een flinke strandwandeling en zien dat het strand helemaal is schoongemaakt en opgeruimd. Wat een verschil met de vorige keer! Berndt komt de volgende dag ons zeil terugbrengen. Dat ziet er wederom perfect uit! De strook ligt mooi plat tegen het zeil aangeplakt en zal bij het zeilen dus geen problemen geven. Zo, nu hoeven wij ons tenminste niet meer schuldig te voelen als we de slurf niet hijsen! Berndt brengt ons met de auto naar de stad naar de winkel. We moeten pinnen om zijn rekening te betalen (op Gibraltar ging dat niet want daar komen alleen maar ponden uit de automaat en die wilde hij niet). Onderweg verteld Berndt wat de verschillen zijn die hij heeft bemerkt tussen Noord- en Zuid-Europeanen. Het belangrijkste verschil is en blijft toch de relaxte houding die de mensen hier hebben. Het was ons al opgevallen dat hier soms auto’s de straat blokkeren om even een praatje te maken met een bekende. In Nederland heb je waarschijnlijk na 3 seconden al een revolver tegen je slaap staan, maar hier is dat normaal en geeft het geen ergernissen. Heerlijk toch! Als we bij de winkel aankomen en geen pinautomaat kunnen vinden, wil Marianne aan een dame op de parkeerplaats bij de winkel vragen waar de pinautomaat is. Maar de vrouw roept direct met afwerende handgebaren: “no dinero” (geen geld). “Wel geld” zegt Marianne verward in haar beste Spaans “uit de automaat”. Oooooh. Wat blijkt: op de parkeerplaats lopen nogal wat types rond die het winkelend publiek om een kleine bijdrage vragen. Tja Marianne: misschien moet je toch eens wat aan je kleding doen?? De vrouw biedt onmiddellijk haar excuses aan voor de vergissing en legt in perfect Frans de weg uit. Maar ja, het doet toch een beetje pijn en Marianne gooit de vergissing niet op haar kleding, maar op het feit dat ze zonder winkelwagen voor d’r neus in gebrekkig Spaans iemand aansprak. Als de rekening is voldaan danken we Berndt hartelijk voor het goed geleverde werk en voor de lift en we nemen afscheid. We duiken de winkel in en als we er weer uitkomen hebben we ongeveer 2 maal ons eigen gewicht aan boodschappen bij ons. De voettocht terug naar de boot is lang en zwaar.


3 maart Cadiz 

Tijd om nar onze favoriete stad terug te gaan: Cadiz. De vorige keer waren we daar maar 2 dagen en nu willen we er wat meer tijd voor inruimen. We zeilen met onze “nieuwe” zeil en we zijn echt blij met onze UV-aanwinst. Direct de volgende dag al struinen we de stad in. We lopen via de boulevard met de wilde katten (zijn er nu meer dan de vorige keer?) en genieten van al het moois dat Cadiz te bieden heeft. Waarom hoor je toch zo weinig over deze stad? Hoewel: iedereen die we onderweg spreken en die er geweest is heeft Cadiz ook in de top 10 staan. Wat is het dan toch in deze stad behalve de oude gebouwen: de relaxte sfeer, bijna provinciaal, de parken, de mensen? De mooie portalen achter de voordeuren van de stokoude appartementengebouwen ontlokken ons in elk geval nog steeds “waauws” en we zijn dit keer zo brutaal er bij 1 binnen te lopen. Als je door de hal met brievenbussen bent kom je op een soort binnenplaats met glazen dak. Aan deze binnenplaats (die met marmeren vloer, prachtige planten en gezellige terrasstoelen is aangekleed) staan de appartementen die er net zo mooi en oud uitzien als de straatzijde. Eigenlijk lijkt het of je op straat staat, maar toch ben je binnen. Mochten we ooit nog de aspiraties hebben een eigen huis te ontwerpen, dan komt dit er zeker in! In een van de vele parken die Cadiz rijk is, hoort Marianne boven haar hoofd vreemde vogelgeluiden. Ze kijkt omhoog en ziet dan dat een soort grote groene parkietensoort (of een kleine groene papegaaiensoort) in de palmbomen nesten bouwt. Wat een geweldig gezicht! De flinke zoom op de camera komt hier goed van pas! De tweede dag komen we weer uit bij het pleintje waaraan La Poeme ligt (het restaurantje waar we de vorige keer de hele middag zijn blijven plakken omdat het zo gezellig was). De vrouw blijkt nog precies te weten wie we zijn en voor de tweede maal hebben we een leuk gesprek mat haar en genieten we van de dikke Spaanse chocolademelk die wederom zo stevig gebrouwen is dat je d’r spontaan puisten van uit je hoofd voelt schieten. Paul gaat zich bezighouden met het aansluiten van de zonnepanelen. De haven beschikt over een watersportwinkeltje, waar Paul de benodigde onderdelen kan bestellen en………de wonderen zijn de wereld nog niet uit: de volgende dag zijn ze binnen. Hoe is het mogelijk! Het is lekker warm weer en Marianne loopt met Meis naar de sliphelling van de haven om de hond wat te laten afkoelen in het water. Marianne gooit vanaf de hoge kademuur de bal en Meis rent de poten onder haar lijf vandaan om de bal zo snel mogelijk terug in haar bezit te krijgen. Niks nieuws dus. Maar Marianne ziet vanaf de hoge muur in het heldere water dat Meis door een dertigtal ‘havenvissen’ (de Harders die we in elke haven bij honderdtallen aantreffen) wordt achtervolgd. De tweede keer dat Marianne de bal gooit, komt ie recht boven deze vissen uit. Tot haar grote verbazing zwemmen de vissen ineens met z’n allen op de bal af en beginnen met hun neuzen (hebben vissen neuzen?) er tegenaan te duwen, zodat het net een tenniswedstrijd onder water lijkt. Terwijl Marianne staat te lachen en geniet van dit bijzondere schouwspel is Meis naar de sliphelling gedraafd en als ze daaronder aangekomen is, ziet Meis tot haar grote schrik en verontwaardiging dat de vissen haar bal hebben ingepikt. En ze durft het water niet meer in. Vol verbazing kijkt ze toe hoe haar bal telkens boven water wordt getjoept en vertwijfeld kijkt ze omhoog naar Marianne met een blik op haar kop alsof ze wil zeggen: “Zeg dit kan echt niet; zeg er ’s wat van!” Maar na een minuut of vijf hebben de vissen door dat de bal niet eetbaar is en pas als ze allemaal weggezwommen zijn durft Meis het water weer in om ‘m te gaan halen. Wat een held is die hond van ons! Ondertussen zijn de zonnepanelen zonder problemen aangesloten en is voor Paul een nieuw leven aangebroken. Vanaf dit moment krijgt Marianne zo ongeveer elke 5 minuten de Ampèrestand van de meter door omdat Paul meer binnen met z’n neus op de meter zit gedrukt, dan dat ie buiten van het echte zonnetje komt genieten. Aanvankelijk wil ie zelfs niet meer aan tafel eten, maar na wat aandringen van Marianne laten zijn vingers dan toch eindelijk het metertje los en met tranen in zijn ogen komt hij aan tafel. Het is natuurlijk ook fantastisch: nu zijn we nog meer selfsupporting geworden. En dat betekent: lekker veel ankeren! Als Marianne ’s nachts Meis heeft uitgelaten, wordt ze op de terugweg gevolgd door een auto. Ze krijgt het een beetje op de zenuwen ervan en zorgt dat ze zo snel mogelijk de steiger opkomt. Maar de auto stopt bij de steiger en er komt een man uit de auto die ook de steiger opstapt. Getverdemme, wat is dat nu? Marianne springt zo snel ze kan op de boot en dan roept de man haar toe of het wel haar boot is. Pfff, opluchting, het blijkt de bewaking te zijn. De volgende dag spreken we de bewaker wiens eigen boot naast de onze blijkt te liggen. Marianne vraagt hem wat het grote nog niet afgebouwde pand moet worden dat bij de haven staat. Het blijkt een casino te moeten worden, maar de benodigde vergunningen worden niet afgegeven. Lijkt Nederland wel! Na enkele dagen genieten in Cadiz, besluiten we morgen de baai over te steken naar El Puerto de Santa Maria. Dit moet een prachtig plaatsje aan de riviertje zijn.


7 maart El Puerto de Santa Maria 

Een tochie van niks natuurlijk. We zeilen er op ons gemakkie in anderhalf uur naar toe en leggen aan in de haven. Het ziet er levendig en gezellig uit. Meis wordt direct geconfisqueerd door een stel kinderen van een Franse boot. We moeten zelfs wat moeite doen om haar weer mee te krijgen, want we willen het stadje bekijken. Eerst maar even betalen. Zo da’s effe schrikken: voor 1 nacht moeten we 25 euro neerleggen. Zelfs Cadiz was goedkoper. We wandelen in oude het stadje rond en zien gezellige goedgevulde terrasjes. Straks ook maar even een hapje eten, maar eerst nog even rondkijken en foto’s maken. Het is een leuk stadje, maar Cadiz zit nog in ons hoofd en in ons hart, dus na een klein uurtje hebben we het wel gezien. We wandelen terug richting boot en willen onderweg wat op een terrasje eten, maar we zien ineens geen enkel terrasje meer. Alle gezellige terrasjes van de heenweg zijn opgedoekt en de restaurantjes en cafeetjes blijken ineens gesloten te zijn. Oké denken we, een pizza halen is ook prima. We staan bij een pizzatent en kijken buiten op de prijslijst en net als we aanstalten maken om naar binnen te lopen, wordt de deur voor onze neus dichtgesmeten. Zo, gezellig stadje is dit! We wandelen terug naar de boot en gaan even op het terrasje van de haven zitten. Terwijl Marianne aan de buitenbar twee drankjes bestelt, krijgt Paul aan zijn tafeltje gezelschap van 2 Spaanse jongetjes die met Meis willen spelen en van alles van Paul willen weten. Paul glimlacht vertwijfelt, want hij verstaat natuurlijk geen syllabe van hun Spaanse gebrabbel. Maar dat stoort de beide jongetjes geenszins en ze gaan vrolijk door met vragen stellen en beginnen af en toe zelfs wat harder te roepen, alsof ze denken dat Paul doof is en dat dat de reden is dat hij hen geen antwoord geeft. Het kost Paul enkele zweetdruppeltjes en hij brabbelt tenslotte maar wat koeterwaals terug en tevreden druipen ze af. Als we de volgende ochtend onze hoofden uit het luik steken, zien we dat de haven voor de helft droog staat. Dat blijft altijd een prachtig gezicht. Onze boot ligt gelukkig aan de buitenste steiger en dobbert er dus nog vrolijk op los. Maar drie boten verder komt het zand al boven het water uit! We wachten tot het water wat hoger komt en dan gooien we de trossen los, want over enkele dagen komen onze vrienden Leni, Jos en Jan naar Faro om een week met ons mee te zeilen, dus we moeten “opschieten”.


8 maart Chipiona 

Als we de baai van Cadiz uitvaren, zien we behoorlijk wat marineschepen met ‘oorlogstuig’ voorbijvaren. Het gros is een soort platte schepen, waarop tanks en andersoortige rupsbandvoertuigen staan. Met de verrekijker kunnen we ’t allemaal eens goed bekijken. De wind komt redelijk uit de goeie hoek, dus de zeilen worden gehesen en we verlaten de baai. We varen zo hoog mogelijk om in elk geval in de richting van Chipiona uit te komen. In de verte ligt een enorm groot marineschip en we schatten in dat we met deze koers er net achterlangs zullen zeilen. Als we dichter en dichter bij het schip komen, duikt vanachter het grote marineschip ineens een groot patrouilleschip op dat recht op ons afvaart. Tegelijkertijd horen we op de marifoon onze scheepsnaam voorbijkomen. Marianne duikt met wat knikkende knieën naar binnen om de oproep te beantwoorden. Wel een beetje eng zoiets. Marianne roept hen op en zij beginnen vanaf dat moment elke zin met “This is Spanish patrolship bladibladibla” (de naam zijn we vergeten). Ze zeggen dat we te dicht bij het marineschip zijn en ze vragen wat onze bedoelingen zijn en wat onze koers is. Marianne antwoordt dat we naar Chipiona aan het zeilen zijn, vermeldt de huidige koers die we varen en vraagt hen welke koers ze willen dat we gaan varen. “This is Spanish patrolship bladibladibla” klinkt het weer. Nee, prima, handhaaf de huidige koers maar. Marianne herhaalt onze huidige koers en zegt dat we deze zullen handhaven. “This is Spanish patrolship bladibladibla” antwoorden ze en dan zeggen ze “dank u wel voor uw medewerking en we wensen u nog een plezierige zeiltocht toe!” Wat aardig, denkt Marianne en ze loopt weer naar buiten. Tot haar grote verbazing ligt het patrouilleschip vlak bij de Zilver en op het dek staan diverse personen vriendelijk en enthousiast te zwaaien. Ja, dat verwacht je niet van de Spaanse marine, maar ’t is natuurlijk wel leuk. We zwaaien net zo enthousiast terug en vervolgen onze tocht. Een eindje verderop ligt een grote rubberboot van de marine en Paul ziet dat 1 van de mannen met de duikersvlag begint te zwaaien. Er zijn dus duikers in het water. Paul wijzigt de koers en haalt voor de zekerheid z’n vislijntje in. Hij ziet een stuk of zes duikers aan boord van de rubberboot klimmen en hij zwaait naar ze. Onmiddellijk als de duikers aan boord geklauterd zijn, geeft de ‘chauffeur’ gas en vaart vlak achter onze boot langs, waarbij Paul als antwoord een zeskoppig zwaaisalvo van de duikers ontvangt. Da’s toch aardig van ze! Als we in Chipiona arriveren, worden we door dezelfde dame als de vorige keer geholpen, maar nu wat vakkundiger. Ze heeft dus wel wat geleerd in de afgelopen maanden en ze kan zelfs tijdens haar werkzaamheden lachen. We wandelen het dorpje in op zoek naar een supermarkt want zowel onze voorraadkasten als onze magen zijn leeg. We komen langs een klein supermarktje, waar de eigenaar net bezig is te sluiten. Maar als hij ziet dat we nog wat willen kopen, gooit hij direct de deur weer open en helpt ons bijzonder vriendelijk met onze inkopen. Aangezien de haven van Chipiona over bijzonder goede professionele wasmachines beschikt, besteden we de avond aan de was. We schoppen het tot maar liefst 3 machines vol, maar in een paar uur is het bekeken en kunnen we met een zuiver geweten en een zuivere kledingkast gaan slapen. Morgen is het weer vroeg dag.


9 maart Mazagon 


We zeilen met perfecte wind richting Mazagon en komen tegen de avond aan. We mogen aan de receptiesteiger blijven liggen. Dat betekent geen water en geen stroom. Geen probleem: water hebben we nog genoeg en stroom………jahaah: zonnepanelen, en die doen ’t perfect. Paul danst bijna door het leven. Het voordeel van de terugweg is, dat je de plekjes al een beetje kent. Mazagon hebben we de vorige keer al bekeken en dat hoeven we nu dus niet meer te doen. We kunnen lekker op het terrasje bij de haven een borreltje pakken en een schaal nootjes leegeten alvorens we aan boord het avondeten gaan maken. Lekker relaxed zo!


11 maart Vila Real de Santo António 

De wind is ons werkelijk goed gezind! We moeten vandaag weliswaar iets de oceaan insteken, maar we hebben een prachtige zeiltocht! In het begin van de tocht is de wind nog wat aan de slappe kant, maar hoe verder de dag vordert, hoe harder de wind begint te waaien, en dan ook nog eens uit de goede hoek zodat we niet hoeven te reven. Goedgemutst varen we de Rio Guadiana op, de rivier die Spanje en Portugal scheidt. Op het laatste moment denken we er nog aan ons Spaanse gastenvlaggetje om te ruilen voor het Portugese. We vinden het leuk weer in Vila Real te zijn: het is een gezellig plekkie. En we zijn ruim op tijd voor de ontvangst van onze vrienden! We leggen de Zilver aan de grote steiger langs de rivier: hier hebben we de vorige keer ook gelegen en het is de mooiste plek van de haven. Als we van boord springen om te kijken of het havenkantoor nog open is, zien we tot onze grote verbazing ineens een bekende boot met bekende gezichten. De Calika van Kees en Anita, die we op de heenreis in Noord-Spanje hebben getroffen ligt hier. We raken direct aan de praat met hen en het blijkt dat ze hier de winter hebben doorgebracht en de volgende ochtend willen vertrekken. Ze vragen ons of we zin hebben om mee te gaan eten in het stadje. Tuurlijk hebben we dat. We hebben een bijzonder gezellige avond met elkaar. Kees en Anita vertellen dat ze hun oorspronkelijke plan – de wereld omzeilen – voorlopig even laten varen (mooie woordkeus hè). Ze gaan eerst de Middellandse Zee verkennen. We wisselen onze telefoonnummers en e-mailadressen uit en nemen afscheid van hen, want de volgende ochtend varen ze vroeg uit. Te vroeg voor ons in elk geval. Wij huren de volgende dag voor drie dagen een auto. Dag 1 is bestemd voor het doen van mega-inkopen, want deze week moeten 5 monden gevuld gaan worden. Dag 2 is voor de trip naar het vliegveld in Faro om Leni, Jos en Jan op te halen en dag 3 is naar vrije keuze van onze gasten. Als we terugkomen van de mega-inkopen maken we kennis met Ruud en Jacqueline van de prachtige klassiek uitziende Hans Christiaansen met de naam Pelican. Het is een jong stel met een twee kleine schavuiten van dezelfde leeftijd aan boord (in de volksmond ook wel tweeling genoemd). Zij hebben hier ook overwinterd, maar ze hebben er al een paar jaar Turkije opzitten en zijn nu op weg naar Brazilië. De enthousiaste verhalen die ze over Turkije vertellen geven ons het gevoel dat we daar toch ook maar een keer naar toe moeten zeilen! Tevens zeggen ze dat ze de naam Zilver al enige malen hebben gehoord, ook via het schip de Panta Rhei. Nou zeg: die naam hebben wij ook al vaak voorbij horen komen, maar we hebben het schip nog nooit gezien. Ruud zegt dat we daar niet lang op hoeven te wachten, want ze komen morgen ook naar Vila Real. We zijn benieuwd! Eerst rijden we de volgende dag naar het vliegveld in Faro en gelukkig is het vandaag goed weer. Gisteren regende het de godganselijke dag. De straten stonden letterlijk blank dus we hadden er een hard hoofd in. Maar vandaag schijnt het zonnetje gelukkig en de temperatuur mag er ook zijn! Wat een heerlijk weerzien weer met onze vrienden! Ze hebben een goede reis gehad en arme Jan heeft de hele reis met een grote kartonnen doos bamisoep gesjouwd, die via de moeder van Paul was meegegeven. We hebben heel wat bij te kletsen tijdens de terugreis en wederom krijgen we van iedereen de hartelijke groeten. Dank jullie wel!! Onderweg stoppen we in Olhao om een kopje koffie te drinken op het terras en om onze vrienden op de vismarkt te laten kijken, want dat blijft toch iets speciaals in deze contreien. De meest vreemd uitziende gedrochten liggen trots uitgestald te wachten op een hongerige koper. Op de boot aangekomen krijgen we weer cadeaus, cadeaus en nog eens cadeaus (dank dank dank) en de Nederlandse boodschappen worden uitgepakt: Indische kruiden en natuurlijk….. drop! Jos heeft op bestelling van Paul nieuwe beugels voor de spinakerwagen gemaakt (vakwerk Jos!) en deze worden onder het avondzonnetje vakkundig door Jos en Paul gemonteerd. We overleggen wat we dag 3 met de huurauto zullen doen en we besluiten gezamenlijk dat het wel leuk is om Sevilla (Spanje) eens te gaan bekijken. (Dat kost 35 euro extra aan verzekering omdat men zegt dat Portugese auto’s in Spanje het mikpunt van vandalisme zijn). Zo gezegd, zo gedaan en de volgende dag bevinden we ons in deze bekende stad. Het is een mooie stad, met – tot ons genoegen – vele terrasjes, waarvan we dan ook gretig gebruik maken. Het is prachtig weer, we genieten van elkaars gezelschap en de bezienswaardigheden van Sevilla: het centrum met oude gebouwen, de prachtige kathedraal en overal om ons heen paarden-met-wagentjes (voor de toeristen natuurlijk). Er heerst een beetje een sfeertje à la Parijs. Niet schlecht dus. Het laatste terrasje dat we aandoen ligt onder de rook van kathedraal. In de nissen van de kerk zitten behalve duiven ook torenvalkjes. Leuk voor de foto weer. We eten heerlijke tapas en hebben geen haast. Pas als het donker is halen we de auto uit de parkeergarage en keren bootwaarts. De volgende dag lopen we ’s ochtends door Vila Real, waar op elke oude fabrieksschoorsteen een ooievaarsnest met bijbehorende ooievaar zit en gaan we ’s middags met de veerpont naar de overkant: Ayamonte in Spanje. Het is en blijft een prachtig plaatsje, waar vooral de parken met tegel mozaïek bankjes de moeite van het bekijken waard zijn. We sjokken rond en strijken voor de lunch uiteindelijk neer bij een restaurantje aan de haven. De tapas van gisteren zijn goed bevallen dus daar gaan we vandaag weer voor. Het personeel van het restaurantje is zo aardig dat we bijna het gevoel krijgen besodemieterd te worden met de prijs van de tapas. Niets is minder waar: we krijgen heerlijke tapas (sardines, pulpo’s (kleine inktvisjes), pollo piri-piri (hete kip), olijven) voor een habbekrats en het personeel is gewoon écht zo aardig. Op de terugreis naar de veerboot gaan we bij de supermarkt garnalen kopen. Vanavond wordt het gegrilde-garnalen-met-knoflook-feest aan boord van de Zilver. Als we terugkomen bij de boot ligt achter ons de Panta Rhei. Hèhè, eindelijk maken we dan eens kennis. Aan boord bevinden zich Ria en André en zij hebben al veel verhalen over ons gehoord en wij over hen. Het vreemde is zelfs dat zij verhalen over ons gehoord hebben via mensen die wij helemaal nooit ontmoet hebben! (Als je problemen hebt met je computer, moet je Paul van de Zilver maar vragen). Het is nog steeds prachtig weer en Paul installeert zich op de steiger met het petroleumbrandertje om de garnalen eens flink te pakken te gaan nemen. De hele bemanning houdt zich bezig met het schoonmaken van enorme hoeveelheden knoflook en dan kan het feest beginnen. En een feest wordt het: de garnalen verdwijnen onder het genot van een drankje als sneeuw voor de zon. Later op de avond komen André en Ria ook een borreltje halen en ze pikken ondertussen nog een garnaaltje mee. André haalt zijn mondharmonica en begint gezellig te spelen. Ria blijkt een fantastische zangeres te zijn en geeft ons enkele Fado’s (typische Portugese zang) cadeau. Grappig is wel dat Leni binnen een CD van de Kleinkeinder heeft opgezet en luidkeels staat mee te zingen, terwijl Ria buiten de gevoelige Fado ten gehore brengt. Saillant detail: de titel van het lied van de Kleinkeinder is: 'Stilte'. Dan wordt het weer eens tijd om te gaan varen. Zowel de bemanning van de Pelican als van de Panta Rhei komt ons de volgende ochtend uitzwaaien. Doel van de tocht is Albufeira.


17 maart Albufeira 

De eerste 30 mijl kunnen we zeilen, zelfs met spinaker, daarna moet helaas de motor aan. Tijdens de tocht verdiept Jan zich in de wonderen der elektronische navigatie. We komen ‘s avonds in Albufeira aan en worden tot de volgende dag in een enorme box gelegd. Bij het aanleggen gebeurd iets vreemds: als Marianne de lijn om de kikker op de steiger gooit, geeft deze mee. Wat blijkt: ze zijn vergeten ‘m vast te schroeven. En da’s toch echt wel nodig als je je boot wil vastleggen! De volgende ochtend melden we ons op het havenkantoor en we varen naar de box die wat beter passend is voor ons schip. Even laten komt de man, die ons de vorige keer zo overenthousiast heeft geholpen, in zijn rubberbootje aangevaren. Hij roept naar Marianne: jullie zijn hier al eerder geweest toch? En net als Marianne dat wil bevestigen steekt Paul z’n kop naar buiten en springt de man van enthousiasme bijna uit z’n bootje het water in: “I know you” schreeuwt ie, springend van plezier met een lach van oor tot oor, alsof hij een lang verloren gewaande vriend heeft teruggevonden. Tja, Paul z’n kop vergeet niemand. We liggen met onze Zilver naast de boot van sir Cliff Richard, een rode grote speedboat. Zou Cliff nog wel weten dat ie hier een boot heeft liggen? Wij betwijfelen het. We halen voor Jan 1 van onze fietsjes tevoorschijn. Jan heeft wat last van een zweepslag die hij een tijdje geleden heeft opgelopen en kan daarom niet zo goed lopen. Het fietsje (klein maar fijn) moet uitkomst brengen. En inderdaad: Jan kan zonder problemen de tocht naar het dorp aan. Bij het eerste uitzichtpunt waar we staan uit te puffen (meer van de warmte dan van vermoeidheid) krijgt Meis zomaar een bak water voor d’r neus gezet, gepresenteerd door de eigenaresse van een cafeetje met bijbehorend terrasje. Ja, dat is toch altijd de truc die het goed doet bij hondeneigenaren. We strijken neer op het terrasje en bestellen een flinke pot sangria. Ondertussen raken we met de vrouw aan de praat. Ze is Amerikaanse maar woont al jarenlang in Portugal. Ze vraagt wat wij van de nieuwe marina van Albufeira zeggen. Eerlijk zeggen we haar dat we ‘m spuuglelijk vinden en gelukkig is ze het met ons eens. We verkennen het dorpje, kopen een buitenlamp waarnaar we al een tijd op zoek waren en strijken voor het avondeten neer op een terrasje. De terugtocht naar de boot doen we in het donker. Jan fietst over de begaanbare wegen en Leni, Jos en wij nemen het rotspad via het strand. Dat blijft een prachtige en spectaculaire route.


19 maart Portimao 

De volgende dag vertrekken we naar Portimao. We moeten een paar kruisrakken maken om er te komen en onderweg kunnen we de grotten aan e kust wel 3 maal bekijken omdat 1 der bemanningsleden (we noemen geen namen) zich onvrijwillig bekwaamt in het draaien van achtjes bij de overstagprocedure. Maar ‘t kan ons eigenlijk niet bommen: hoe langer de tocht duurt hoe beter want het is prachtig weer. We arriveren in het donker in Portimao en melden ons de volgende ochtend op het havenkantoor. We zijn benieuwd of de Scehawk van Ann en Mike hier nog ligt. Het zou leuk zijn hen weer te ontmoeten. Onze nieuwsgierigheid wordt niet lang op de proef gesteld, want de dame van de receptie zegt dat Ann al bij haar is langsgeweest om te vragen of de Zilver naast de Scehawk mag liggen. Ze zijn er dus nog en ze hebben ons al gezien. Even later staat Ann voor onze neus en het is natuurlijk weer een hartelijk weerzien. Als we in onze box nog even zitten te kletsen alvorens het dorp in te gaan, horen we ineens iemand Paul z’n naam roepen. We kijken op en……ja hoor, Toin die we kennen van de Vikinghaven te ’s-Hertogenbosch staat voor onze neus. It’s a small world after all! Toin is samen met z’n broer Camil meegevaren met Rob van Kleef, die met z’n boot de Zeerob in de naastgelegen haven ligt. Even later verkennen we het stadje, en wederom doet de fiets voor Jan z’n werk. Als we terugkomen maken Leni, Jos en Marianne nog een flinke strandwandeling met Meis. De volgende dag besluiten we ’s middags voor anker te gaan in de rivier bij het tegenoverliggende plaatsje Ferragudo. We hebben in Portimao de ingrediënten voor een lekkere pot Paella ingeslagen en die gaan we daar eens soldaat maken. Jos en Paul duiken het water in om de onderkant van de boot eens te bekijken en Leni en Marianne roeien met Meis naar het strand en waar ze de meest wilde vondsten doen, variërend van schelp tot fossiel, terwijl Meis zich vermaakt met een aangespoelde schoen. Als we ’s avonds aan de bereiding van de paella willen beginnen horen we buiten een kreet van Jos, die al hengelend een pracht van een rode poon heeft gevangen. Die komt goed van pas bij de paella! En lekker dat ie is! De volgende ochtend roeien Leni en Marianne naar Ferragudo om het plaatsje te gaan verkennen. De mannen zijn te lui. Het is een klein authentiek vissersdorpje en we zijn blij dat we de camera hebben meegenomen. Met bloemen en tegeltjes aangeklede kleurige huisjes zijn een dankbaar onderwerp, evenals het uitzicht bij het kerkje op de top van de heuvel op onze geankerde boot. We zijn onder de indruk maar de mannen zijn nog steeds lui. ’s Middags vertrekken we naar Lagos.


21 maart Lagos 

Als we de haven van Portimao voorbij zijn, zien we achter ons de Zeerob tevoorschijn komen. Haha, die willen vast een wedstrijdje, dus alle zeilen worden bijgezet (figuurlijk gesproken dan) en alle hens maken zich druk aan dek. De wind haalt vreemde capriolen uit: komt van links, dan weer van rechts, is hard, dan weer weg, en het leuke is dat we de Zeerob achter ons precies hetzelfde zien doen. De strijd blijft onbeslist. Als we bij Lagos aankomen loopt de Zeerob echter niet binnen, maar draait om. Ach, die borrel houden ze wel tegoed. Jan heeft veel goede 15-jaar-oude-herinneringen aan Lagos, dus de fiets wordt weer tevoorschijn getoverd en we duiken het stadsleven in. De vakantie van onze vrienden zit er al weer bijna op: morgen gaan ze huiswaarts. De leuke tijd die we hebben gehad moeten we natuurlijk wel even met een lekker etentje afsluiten dus we zoeken een gezellig restaurantje uit. Het is een bijzonder gebouw, met hoge gewelven, mooie kunst aan de muur en bij de entree glazen vloertegels, zodat je de straatstenen erdoorheen kan zien. We eten heerlijk en Leni, Jos en Jan trakteren ons als dank voor de gezellige week. Nou LJJ, jullie ook bedankt voor deze fantastische week!! De volgende ochtend sjokken we naar het stationnetje, dat vlak achter de haven ligt. De tickets voor het boemeltreintje kosten een habbekrats, de treinen rijden hier nog op tijd en – zoals we later de beschrijving van iemand horen – ze zijn nog ‘onbesneden’: vandalisme in de trein is hier nog niet ontdekt. Het ouderwetse dieseltreintje voert ons door prachtige landschappen naar Faro. We zien diverse sinasappel- en citroenboomgaarden, olijvenbomen en oude waterradden met emmertjes eraan. Regelmatig laat ie een krachtige fluit horen waardoor je je een figurant in een cowboyfilm waant. Na zo’n 14 stoppen arriveren we met knorrende maagjes in Faro. Bij het stationnetje staan de taxi’s al klaar om onze vrienden naar het vliegveld te vervoeren en omdat we nog een uur over hebben, willen we eigenlijk nog eerst een hapje eten. We komen bij een restaurantje dat net voor onze neus de deur sluit. De vrouw vraagt echter met hoeveel personen we zijn en of we alleen iets willen drinken, of tevens van haar kookkunsten gebruik willen maken. Als we aangeven dat we voor het laatste kiezen, zwaait de deur open en worden we hartelijk welkom geheten. De echtgenoot van de vrouw blijkt een vrolijke Frans (maar dan met een andere naam) loodst ons langs de verse visvitrine, waaruit we al snel onze keuze maken. De vrouw duikt welgemoed de keuken en grilt de vis in een enorme houtskooloven. Dit is smullen met de grote S! De man wil van alles van ons weten, maar ondertussen begint de tijd toch wel wat te dringen. Als we afrekenen staat hij erop dat we zijn eigengebrouwen huisjenever nog proeven en terwijl we met de jassen aan klaar staan, verdwijnt het brandende vocht nog snel achter in onze keeltjes. We danken het echtpaar hartelijk voor hun gastvrijheid en het lekkere eten en dan is het afscheid niet langer uit te stellen. Na de omhelzingen zien we onze vrienden met de taxi wegrijden, richting vliegveld en wij moeten binnen 5 minuten op het perron staan om onze trein nog te halen. Wat hebben we genoten! In e trein raken we aan de praat met een Portugese vrouw die ons van alles vertelt over Portugal. Ze studeert in de avonduren sociologie en ze maakt zich erg druk over de slechte voorzieningen voor gehandicapten in Portugal. Ze heeft gelijk: wij hebben ons ook al regelmatig afgevraagd hoe je je hier in een rolstoel kan verplaatsen: smalle hobbelige trottoirs die ineens ophouden, of met grote gaten bezaaid zijn. De vrouw wijst naar de grote treinopstap: als gehandicapte kan je het hier wel schudden. Maar gelukkig vertelt ze dat er tegenwoordig vanuit de politiek wel wat aandacht aan wordt besteed en dat alle openbare gebouwen voortaan voorzien moeten worden van een gehandicapteningang. Met dit gesprek is de treinreis voorbij voor we het weten.


23 maart Portimao (alweer) 


De volgende dag varen we terug naar Portimao. Over 5 dagen arriveert de moeder van Marianne in Faro en die dagen wachten we liever in Portimao, ten eerste omdat daar nu zoveel bekenden liggen (we hebben een sms-berichtje van de Akane gekregen dat zij ook naar Portimao komen) en ten tweede omdat de haven van Lagos behoorlijk duur is. Als we weer in onze box liggen worden we uitgenodigd door de Zeerob voor een borrel. Tot onze verrassing ligt aan dezelfde steiger ook het grote Duitse schip waar we op de heenreis in Lissabon naast hebben gelegen. Ook zij hebben in Portimao overwinterd. De borrel op de Zeerob is gezellig en uiteraard lekker. Al kletsend komen we te weten dat de eigenaar van een tegenover de Zilver gelegen grote Nederlandse catamaran, de Razzle Dazzle, ons bijzonder arrogante lieden vindt. We begrijpen er niets van. Wat hebben we verkeerd gedaan? Wat blijkt: de eigenaar van de catamaran, Joop, vind het onbegrijpelijk dat we nu al 2 maal langs z’n schip gevaren zijn en geen 1 keer hebben gezwaaid naar een medelander. Ja, daar zit wat in, want hij heeft ook een knots van een Nederlandse vlag achterop hangen, maar we hebben hem (Joop) eerlijk gezegd helemaal niet gezien. De bemanning van de Zeerob is uitgenodigd voor een borrel op de Razzle Dazzle we vragen hen onze excuses aan Joop over te brengen. Als we even laten in de kuip van de Zilver zitten, zien we de Zeerobben bij Joop aan boord stappen. Ze wijzen naar ons schip en wij beginnen enthousiast en met grote gebaren te zwaaien om het goed te maken. Joop begint te wenken en roept dat we ook op de borrel moeten komen. En dat wordt onze kennismaking met Joop, een ontzettend aardige man, die al 17 jaar aan het zeilen is, de Razzle Dazzle zelf heeft ontworpen en laten bouwen in Australië en bijna de hele wereld heeft rondgevaren. Het klikt meteen. En wat een schip is het: 16 meter lang, 8 meter breed. Alsof je een huis binnenstapt. Terwijl we vakkundig de wijnvoorraad doen slinken loopt de Akane binnen, die we natuurlijk gaan begroeten. Da’s lang geleden zeg! De volgende dag kletsen we honderduit met ze over onze wederzijdse avonturen van de afgelopen maanden. ’s Middags komt de bemanning van de Zeerob met Joop bij ons een borrel halen. De Zeerobber gaan morgen naar huis en ze vragen of we ’s avonds als afscheid mee gaan eten met ze. Dat is bij ons nooit tegen dovemansoren gezegd en we hebben een gezellig diner met natuurlijk aansluitend de onvermijdelijke borrel. De dagen erop vliegen voorbij: we vinden het leuk dat de Akane er weer is, Paul helpt Joop met een computerprogramma en we maken kennis met Ineke en Riens van de Zeezwaluw, die ons goeie tips geven over de bezienswaardigheden in de buurt. Het weer begint echter te betrekken: wat jammer zeg, net nu de moeder van Marianne met haar vriend Albert komt! We huren een auto, omdat we wel inzien dat zeilen er de komende dagen niet in zal zitten en kachelen wederom naar Faro. Het is best een beetje spannend voor ons, want we kennen de Albert alleen via de telefoon. Maar de eerste indruk is meteen goed en wat is het leuk om Mariannes moeder weer te zien. Ze hebben een goede reis gehad en we nemen – alvorens de terugreis naar de Zilver te ondernemen – een kopje koffie op het vliegveld. Eerst even bijkletsen! We rijden op ons gemakkie naar de boot terug, en ma en Albert genieten van het Portugese landschap. We hebben een trapje aan de boot gemaakt om het opstappen wat makkelijker te maken en gelukkig gaat dat prima. En alweer cadeaus en een zak drop; het lijkt iedere keer als we gasten krijgen wel of we jarig zijn! (Niet dat we dat erg vinden overigens!). De volgende dag rijden we naar Monchique, de hoogste berg (heuvel) in de omgeving met een prachtig uitzicht. Eerst slaan we nog af naar Silves, waar een Moorse ruïne te vinden moet zijn. Onderweg komen we langs heuvels die helemaal bezaaid zijn met grote witte bloemen. Dit hebben we nog niet eerder gezien en we zetten de auto langs de kant van de weg om het eens even te gaan investigeren. Het ruikt heerlijk en we komen er al snel achter waar deze bloemen voor zijn: honing. Op een steil paadje staan rijen bijenkorven opgesteld en de bijen vliegen af en aan. We genieten nog even van dit bijzondere plaatje en rijden dan weer verder. Silves is een leuk klein plaatsje met ontzettend steile weggetjes. We wandelen op ons gemak door de ruïne en we genieten van het uitzicht door de kantelen. Dan lopen we nog even door het dorpje en belanden op een pittoresk binnenplaatsje van een leuk restaurantje, waar binnen live-band muziek staat te maken. Wat een lekker sfeertje! We stappen weer in de auto en rijden naar Monchique. Het is wat verder dan we dachten maar de weg ernaar toe is wel erg mooi. Mariannes moeder heeft het op het laatst niet zo breed als de weg smaller en de afgrond naast de auto dieper wordt, maar we komen veilig aan. Helaas is het vandaag niet echt helder weer, maar we kunnen toch nog ver genoeg kijken. Het is wel koud daarboven in de wind! Paul en Marianne klimmen nog een rotspartij op om zo echt het hoogste punt te bereiken en dan zakken we de berg weer af richting boot. Onderweg stoppen we bij een leuk klein restaurantje en laten we ma en Albert kennismaken met sangria, een lichte zoete wijn met veel verse vruchten. Dit blijft de rode draad in hun vakantie en we zijn bang dat ze hier een levenslange verslaving aan over zullen houden! De volgende dag wordt besteed aan een grote toer met de auto naar Cabo de Sao Vicente, het puntje van Portugal (linksonder op de kaart voor de kijkers thuis) waar Zuid-Portugal in West-Portugal overgaat. We zijn er met de boot op de heenreis omheen gezeild en we willen het nu wel eens vanaf de kant bekijken. Paul heeft een rijkaartje weten te bemachtigen waarop een weggetje binnendoor staat aangegeven. Zo tuffen we heerlijk relaxed tussen de boerderijen door op een weggetje dat even later in een zandpad overgaat. Vinden we eigenlijk nog leuker. Buiten onze autoraampjesraampjes zien we prachtige natuur voorbij komen en maken we kennis met het Portugese boerenleven. Als we op het laatste stukje weg komen dat ons naar de kaap moet leiden, wordt in de verte het zandpad versperd door enkele grote vrachtauto’s die waarschijnlijk van het zandpaadje een asfaltpaadje willen gaan maken. We staan een beetje te koekeloeren of we d’r langs kunnen, maar het ziet er niet naar uit, dus de auto wordt met z’n neus de andere kant opgezet. En dan zien we ineens vlak bij onze auto boven het veld een grote roofvogel vliegen, waarschijnlijk een arend. Marianne treft de fotocamera tevoorschijn en nét als ze de vogel in het vizier krijgt hoort ze hard getoeter achter zich. Ze kijkt in de achteruitkijkspiegel en ziet 1 van de vrachtauto’s met grote snelheid van achteren naderen. Ze gooit de camera in Paul z’n handen en geeft zo snel ze kan gas. Pfff, da was effe schrikke! De arend heeft ook de vleugels genomen. We duiken een ander zandpaadje op en tot onze grote verrassing komen we ineens op een prachtige kaap uit, net iets ten westen van Cabo de Sao Vicente. En mooi dat het er is! We wandelen met z’n allen rond en genieten van de prachtige wilde bloemen die hier in grote variëteiten groeien en bloeien alsof Hendrik Jan de Tuinman ze elke dag komt besproeien en toespreken. Ergens tussenin ligt het verroeste onderstel van een vrachtauto en zelfs dat ziet er met de bloemenpracht uit als een met voorbedachten rade opgemaakt bloemstuk. Er is verder niemand. Onder aan de steile klif ligt een maagdelijk wit strand. Nou ja, maagdelijk: ineens zien we onder het steilste stuk van de klif een autowrak liggen, ondersteboven. Een ongeluk of heeft een stel vandalen hier een auto willen lozen? We hopen op het laatste. Met een zucht stappen we weer in de auto en rijden terug naar de grote weg om alsnog de vuurtoren van Cabo Sao Vicente te gaan bezoeken. Daar is het heel wat drukker en voor de toren is een soort markt opgesteld waar voornamelijk kleding wordt verkocht. We wandelen om te vuurtoren en zien de verschillen tussen de oceaan aan de zuid- en westkant. Laatstgenoemde is een stukje wilder, maar dat hadden we tijdens het zeilen al gemerkt. Voldaan stappen we weer in de auto en hobbelen huiswaarts. Het was wee een mooie en gezellige dag, maar het weer is helaas nog steeds aan de sombere kant. De volgende dag besluiten we de andere kant op te rijden: voor ma en Albert is het ook leuk om naar Villa Real te rijden en de veerboottocht naar Ayamonte te maken. Dan zijn ze tenminste ook in Spanje geweest! Onderweg maken we een stop in Olhao om ook hen te laten genieten van de vismarkt. Helaas wordt ie op het moment dat we aankomen net opgeruimd, maar gelukkig kunnen we nog wel wat enge vissen bekijken. In Ayamonte aangekomen, gaan we bij hetzelfde restaurantje aan de haven eten waar we de vorige keer ook zijn geweest, bij de aardige mensen. De karaf sangria hoort bij de standaard uitrusting en de tapas laten zich wederom goed smaken. En ondertussen keuvelen we heel wat af met elkaar. Dit was de laatste dag dat we de auto hebben, maar ondertussen hebben we de hele zuidkust van Portugal afgetuft! Het autootje en natuurlijk de chauffeur verdienen een flink applaus. De dag erop maken ma, Albert, Marianne en Meis een flinke strandwandeling die nogal onstuimig afloopt. Als ze teruglopen over het strand breekt een heftige storm los die gepaard gaat met hoosbuien. Het zand komt horizontaal voorbij en kruipt overal in: onze kleren, onze oren en onze neuzen. Ze zijn blij als we weer terug bij de boot zijn! De dag daarna regent het af en toe ook nog flinke buien maar we gaan toch Portimao in. Omdat het nogal een eindje lopen is, probeert ma op het fietsje te klauteren, maar dat mislukt. We lopen dus, rusten uit onder het genot van en ijsje, schuilen voor een grote bui achter een kop koffie en ma koopt haar souvenirs voor thuis. Ondertussen heeft ze zoveel gelopen, dat de dames met de taxi naar de boot terug gaan. De mannen mogen fietsen, is goed voor ze! De dag erop klaart het weer wat op, maar de wind is nog steeds te hard om te zeilen. Marianne stelt voor om met de Zilvervloot de rivier over te steken naar Ferragudo. Maar Paul is sceptisch over het plan: Mariannes moeder durft vast niet in de wiebelende Zilvervloot te stappen. Als Marianne naast Paul op de steiger naar de instap voor het bootje staat te kijken, kan ze niet anders dan het met hem eens zijn: dit zal niet lukken. Maar dat is buiten de waard (lees: buiten de moeder) om gerekend. Dapper stapt ma op het bootje af en voor we het weten zit ze er al met een brede grijns in. We moeten er allemaal om lachen en we steken de rivier over, op zich natuurlijk ook een heel avontuur voor ma en Albert. Dan duiken we het dorpje in en iedereen is het met Marianne eens dat dit toch zeker de moeite van de rivieroversteek waard was. En even later – hoe bestaat het – zitten we in het zonnetje, uit de wind heerlijk op een terrasje aan de….. sangria. Dit is wat we bedoelden: het weer begint nu toch echt beter te worden. Dus de volgende dag, eindelijk, tatatatataaaah (trompetgeschal): er kan gezeild gaan worden. Het zonnetje staat heerlijk te schijnen en iedereen is goedgemutst (om geen kouwe oren te krijgen). Aanvankelijk wilden we naar Lagos varen, maar de wind komt uit de verkeerde hoek, dus we besluiten zomaar een stuk de oceaan op te varen en dan lekker voor de wind terug naar de haven te gaan. De wind is toch nog aardig: kracht 4 en we hebben twee niet-zeilers aan boord. Maar onze angsten zijn ongegrond: de boot helt wat over, maar geen van beiden vindt het “eng”. Integendeel, zowel ma als Albert genieten volop. Albert staat zelfs als stuurman z’n mannetje. Na enkele uren draaien we om. Dat valt wat tegen: de golven zorgen voor een behoorlijke schommelkoers en zowel ma als Marianne beginnen wat wit om de neus te zien. Dan hoort Paul een plons achter de boot. Hij kijkt om en ziet dat onze Nederlandse vlag met stok en al in het water is gevallen. (Marianne had de nationale trots gewassen omdat ie er wat groezelig uitzag (niet dat ie er daarna minder groezelig uitzag) en Paul had ‘m teruggehangen, maar was vergeten de vlaggenstok te zekeren en nu met de schommelgolven was het snel bekeken). Ons Nederlands dundoekje kunnen we echt niet achterlaten, dus à la minute gaat de man-over-boord-procedure van start. We zijn nog aan het zeilen, dus we moeten als een gek de zeilen omgooien, maar in de verte zien we het fiere rood-wit-blauw nog drijven. Paul stuurt de Zilver er vakkundig op af en Marianne spiest met de pikhaak exact op de goeie plek onder het touwtje en…… leve de Koningin!!, we hebben ‘m weer. Direct wordt de stok vakkundig gezekerd. Ma begint inmiddels wat groen te zien, en denkt waarschijnlijk bij zichzelf: “laat die vlag maar liggen, ik borduur wel een nieuwe voor je, als dat geschommel maar ophoudt!”. Maar gelukkig, als we de rivier weer opvaren voelt ze zich weer wat beter. Beiden hebben enorm genoten van de zeiltocht. De volgende dag is een dag rust ingelast en bovendien is het de verjaardag van ma. Marianne heeft ’s nachts de slingers al stiekem opgehangen en een bosje bloemen op het veld achter de haven geplukt (midden in de nacht met zaklamp) en er wordt natuurlijk luidkeels voor de verlegen lachende jarige gezongen, waarna ze de cadeaus mag uitpakken. ’s Avonds trakteren we de kersverse 76-jarige op lekker uit eten bij een Italiaans restaurant met als dessert de grootste ijscoupes aller tijden. En dan breekt de onvermijdelijke dag weer aan. We nemen de taxi naar het station en bestellen de kaartjes. De dame achter het loket wijst naar ma en Albert en vraagt om hun paspoorten. Wat blijkt: boven de 65 jaar krijg je een korting en ze betalen slechts 2 euro voor een treinreis van anderhalf uur! Kijk, zo hoort dat! Wederom genieten we van het boemeltje, het blijft leuk. In Faro hebben we nog net tijd om samen een afscheidsborrel te drinken, want wij moeten snel met de trein terug omdat op zondag de diensten zijn aangepast. We bestellen onze laatste sangria, maar helaas, het restaurantje waar we zitten heeft geen sangria. Een beetje stil voor het naderende afscheid drinken we dan maar een kopje koffie en daarna lopen we naar de taxi’s. Het afscheid is nu niet meer voor zo’n lange tijd: over 4 maanden zijn we alweer thuis, maar het blijft toch altijd moeilijk. We zwaaien de taxi na tot ie uit het zicht verdwenen is en nemen de trein terug. Het was een hele gezellige week. Ma en Albert bedankt, ook voor jullie traktaties op drankjes, etentjes, boodschappen en brandstof voor de auto! We zijn vroeger terug in Portimao dan we dachten: de zondagsdienst van de trein slaat waarschijnlijk nogal wat stationnetjes over. We waren voor vanavond uitgenodigd deel te nemen aan een etentje in een Indiaas restaurantje ter gelegenheid van de verjaardagen van Ann van de Scehawk en Riens van de Zeezwaluw wat we hebben afgewimpeld, omdat we pas laat terug zouden zijn. We zouden later bij de borrel wel aanschuiven. Maar we komen ze onderweg tegen en kunnen met het hele diner mee doen. De groep bedraagt zo’n 25 man en het wordt een berengezellige avond. Totdat we de rekening moeten betalen. We worden besodemieterd bij het leven en enkele groepsleden gaan terug naar het restaurantje om te zeggen dat dit stijlloos is. Het geld krijgen we echter niet meer terug. Met een kleine groep gaan we nog naar Kerri’s bar, boven op de rots, waar John (alweer een nieuwe naam) van het zeilschip Stingo een gitaar ter hand neemt en lekkere meezingers produceert. Kortom, het wordt weer een latertje (of een vroegertje: het is maar hoe je bekijkt). De volgende dag hebben we gereserveerd voor als was- en opruimdag van de boot, maar daar komt niet veel van terecht. Iedereen komt langs voor een kletspraatje en de dag vliegt voorbij zonder veel noemenswaardige arbeid te hebben verricht. De dagen erop vergaan zo ongeveer hetzelfde. We zijn regelmatig aan boord bij Joop, om hem te helpen met de computer, om te luisteren naar de grote CD-collectie met ‘vette’ muziek, waarvan we kopieën willen maken, en natuurlijk om het gezelschap. Bovendien is er weer een levendige handel in DVD’s, waardoor we op de spaarzame avonden dat er nergens feest is aan de buis gekluisterd zitten met een spannende film. Ondertussen maken we ook kennis met Patrice, Geraldine en hun twee dochtertjes Mary-Lou en Elisa. Een Frans gezinnetje met de Belgische vlag op hun boot omdat ze een hekel hebben aan Fransen. (Echt waar!) We maken kennis met hen tijdens het verjaardagsfeest van Patrice (echt iedereen is jarig hier in deze haven (of ze verzinnen het ter plekke om weer een goed excuus te hebben voor een feestje)) waar we ook natuurlijk weer andere mensen treffen en zo krijgen we het steeds drukker (hahaha). Het verhaal van Patrice en Geraldine is heel bijzonder. Zij hebben enkele jaren in |Brazilië gewoond om goud te zoeken (ook echt waar!) en ze hebben het goud gevonden en zijn er een klein fabriekje begonnen. Daarna hebben ze een houten smalle open boot van 9 meter gekocht en daarmee zijn ze een rivier in het Amazonegebied ingetrokken. Gedurende zes maanden zijn ze niemand tegengekomen. De verhalen die ze erover vertellen zijn prachtig en we genieten er met volle teugen van. Wat een avonturen hebben ze beleefd. De zeilboot hebben ze nog niet zo lang en het plan is om met de boot weer over te steken naar Brazilië. Enkele dagen later is John weer jarig en viert dat met een barbecue en de dagen racen zo snel voorbij dat we het zelf niet kunnen geloven. Marianne doet nog mee aan een 2-uur durende georganiseerde wandeling door een prachtig gebied (Montechorro) waarna enkele leden van de groep bij een Duitse dame thuis worden uitgenodigd om aardbeientaart te komen eten. Marianne breekt haar eigen record door 3 stukken te verorberen (maar echt bijzonder is dat niet want de rest van het gezelschap werkt ook 3 stukken p.p. naar binnen) en Joop vraagt ons of we zijn catamaran mee over willen zeilen naar Olhao. We vragen de Akane of ze Meis weer een dagje onder de hoede willen nemen (jaaaaah, roept Karin dan al meteen verrukt (let wel: het Nederlandse verrukt is iets anders dan het Duitse Verrückt)) en we zeilen met de enorme catamaran de haven uit. Aan boord zijn nog 3 andere personen, van wie we ’s avonds een lift terug naar de boot kunnen krijgen. Als we nog niet zo lang de haven hebben verlaten zien we enorme groepen dolfijnen voorbijkomen. Het zijn grote donkergekleurde dolfijnen, maar ze komen niet naar de boot. We moeten ze van verre bewonderen. Wat jammer dat ze niet langskwamen toen we met Mariannes moeder en Albert aan het zeilen waren!

Het eerste stuk kunnen we zeilen maar even later begeeft de wind het en moet de motor erbij aan. Niet voor lang helaas, want hij begeeft het. Paul duikt de motorruimte in, is zo’n anderhalf uur ;lang aan het sleutelen en dan is het euvel gelukkig verholpen. (Nu moeten we er wel bij vermelden dat de catamaran 2 motoren heeft, dus dat we ons zolang konden behelpen met motor 2).De tocht gaat verder voorspoedig maar als we in Olhao binnenvaren is het al donker. De haveningang ziet er maar smalletjes uit als je op zo’n grote catamaran staat, en Joop ziet het helemaal niet zitten om er binnen te varen. Toch is er aan de grote steiger nog een mooi plekkie vrij voor hem, dus hij neemt het risico maar en vaart naar binnen. Het gaat prima en de boot wordt aangelegd alsof het een kano is. We zijn maar net klaar met aanleggen en ineens staan de overige meezeilers met hun jassen aan en de tassen in de hand klaar om van boord te stappen. Wij zijn behoorlijk verbaasd|: moet er niet even een aanlegborreltje gedronken worden en zouden we niet met z’n allen een hapje gaan eten. Joop kijkt net zo verbaasd als wij en zegt dat de er toch wel echt even nog een aanlegwijntje gedronken moet worden. Nou vooruit dan maar, maar voordat Paul het lipje van zijn blikje bier heeft kunnen trekken, hebben ze de wijn al naar binnen geklokt en stormen naar buiten. Dit hebben we nog nooit meegemaakt! Marianne graait snel onze spullen bij elkaar en we nemen afscheid van Joop die er een beetje verdrietig bij staat te kijken. Als we op de boot arriveren, blijkt tot onze grote schrik dat we de camera bij Joop aan boord hebben laten liggen. De volgende dag bellen we hem en Joop zegt direct dat we dat vast expres hebben gedaan, als excuus om nog een keer langs te komen. Hij nodigt ons uit met de trein te kopen en dan trakteert hij op een lunch. De vorige keer dat we uit Faro terugkwamen met de trein, zagen we tot onze grote verbazing dat er iemand met een hond de trein binnenkwam. Mogen honden hier dan toch in de trein? Als dat zo is, kunnen we lekker op ons gemakkie met Meis naar Olhao reizen. We lopen naar de receptie en vragen aan de (overigens ontzettend aardige en behulpzame) dames of honden hier in de trein mogen. Ze bellen direct het station en ja, het mag, voor de halve prijs van een gewone ticket. Mits de hond een muilkorf draagt. Goeiendag. Dat doen we dus niet. Meis met een muilkorf, dat kan toch niet. We lopen de volgende ochtend vroeg naar het station. We dachten dat het een half uur lopen zou zijn, maar het blijkt 3 kwartier en het laatste stuk moeten we rennen om de trein niet te missen. We kopen de treinkaartjes bij het loket en wijzen naar Meis. De man aan de balie zegt direct dat ze een muilkorf aan moet en dan zegt Paul dat we de treinkaartjes niet meer hoeven. De man overlegt met z’n collega en met z’n tweeen staan ze door het glas naar Meis te staren. Paul zegt ondertussen tegen Meis dat ze netjes moet gaan zitten en hij wijst naar de twee mannen en zegt “kijk eens Meis”. Meis heeft de truc onmiddellijk door en zet haar aardigste gezicht op terwijl haar staart de hele stationshal schoonkwispelt. De mannen zijn verkocht en de kaartjes ook. We mogen zo met Meis de trein in. In Olhao worden we opgewacht door een blije Joop die nog even zijn gram spuit over het vreemde afscheid van 2 dagen geleden. Ook hij heeft dat zo nog nooit meegemaakt. We lopen Olhao in voor de lunch en die duurt ongeveer 5 uur en is berengezellig. Wat is Joop toch een aardige vent. Dames opgelet: Joop is op zoek naar een lieve vrouw die met hem mee de wereldzeeën gaat bezeilen. Dit terzijde. Na de “lunch” lopen we richting station. De dag is alweer bijna voorbij. Vlakbij het station hebben we nog net even tijd voor een kop koffie en dan nemen we wederom hartelijk afscheid van Joop. Hij beloofd ons met de hand op zijn hart dat als hij in Nederland is bij ons langs zal komen. Daar houden we hem aan! Meis gedraagt zich voortreffelijk in de trein en de conducteur knipt de kaartjes en zegt niets over het ontbreken van de muilkorf. Hebben we toch dankzij de vergeten camera nog een te gek dagje gehad! De dagen erop gaan weer verloren in mooi weer met strandwandelingen, gezellige praatjes, we organiseren nog een garnalenavond voor Ineke, Riens, Patrice, Geraldine en de kids, we nemen afscheid van iedereen die nu zo langzaamaan de haven verlaat enzovoorts. Wij wachten nog op de goede wind die ons om de hoek moet sturen (is wat anders dan het hoekje om) en op beter weer aan de westkust. Want daarvan krijgen we meldingen binnen waar de honden geen brood van lusten: windkracht 11, gesloten havens, golfhoogtes van 7 meter, enz. We vermaken ons hier toch wel. De Akane verlaat de haven en gaat ankeren in Alvor, maar 2 dagen later zijn ze alweer terug. Ze gaan weer een stukje terug naar Olhao, omdat ze een zogenaamde Olhao waterhond hebben besteld en ze willen het sociale leven van deze honden nog eens goed bestuderen. De Olhao-waterhonden zijn een begrip in Portugal. Het zijn een soort grote ruige ‘poedels’ die niet alleen fantastisch kunnen zwemmen, maar ook diep onder water kunnen duiken en zwemmen om schaaldieren van de bodem te plukken. Hans-Jurgen en Karin gaan bij thuiskomst aan het water wonen en omdat ze toch een hond wilden aanschaffen, vinden ze dit een goede keuze. Voor ons wordt het dan ook onderhand tijd om te gaan. We besluiten ook in Alvor te gaan ankeren, want de voorspelling is dat over enkele dagen de wind gaat draaien en daarvan moeten we dan meteen gebruik maken.


24 april Alvor 


We nemen afscheid van Mike en Ann van de Scehawk, van Martin en Erica en van Jan en Des. Met z’n zessen zwaaien ze ons uit en dan gaan de zeilen omhoog. Het is zo ver, na 4 weken rond gezworven te hebben in de Algarve krijgen we onze eerste oostenwind en we bereiden ons voor om Cabo Vicente te ronden en een tochtje van 90 mijl te maken. Maaaar, eerst even lekker ankeren de mooie lagoon van Alvor. De ingang is erg ondiep en smal. Het wordt aanbevolen om met het halve tij binnen te lopen zodat je de onbetonde geul naar het dorpje beter ziet lopen, maar voor ons is dat nog steeds te ondiep. Dus met hoog water motoren we voorzichtig naar binnen. Marianne staat achter het roer en Paul navigeert vanaf de kaart onze trouwe Zilver door de geul. Na een half uurtje zijn we op de plaats van bestemming. Voor ons ligt het idyllische dorpje Alvor en achter ons ligt een prachtig glad water met aan het einde duinen en daarachter weer het geruis van de zee. Tijd voor het anker en de borrel. Achter ons lopen onze Franse vrienden binnen. Het heeft even geduurd, maar ze waren bij de ingang op de ondiepte gelopen. Met hun ophaalbare kiel zijn ze 1.05 meter diep en was het een peulenschilletje van 60 PK dat hen weer naar het ruime sop bracht. Overigens, de volgende ochtend worden ze wakker op 1 van de andere ondieptes bij de ankerplek. En dat voor de tweede keer ankeren in hun leven, niet slecht, hè!!. Paul helpt hen een hulpanker aan de achterkant van hun ferro-cementschip te plaatsen, om te voorkomen dat ze door de wind niet verder op de zandbank worden gezet en het schip komt tijdens opkomend water weer los. Diezelfde avond bevinden we ons in Franse kajuit met echte Franse keuken. We worden getracteerd op een door een gast aan boord eigengemaakte Foie Gras (geen paté, want dat is ordinair), met natuurlijk de nodige rode en witte wijnen. Het is exquise. 's Avonds nemen we afscheid van elkaar na eerst e-mails en telefoonnummers uitgewisseld te hebben en peddelen we terug naar Zilver. De hemel is kraakhelder en de sterren verlichten ons pad. Alvor is echt een plek om langer te blijven. Het kost niets en het is geweldige ankergrond (mits je voldoende ketting gebruikt). Echter, de wind begint naar het zuiden te draaien en het wordt voor ons tijd om naar het noorden te trekken. Deze zuiderwind blijft maar 1 dag en slaat daarna over in een noordwester storm en aangezien we niet van stormen houden vertrekken we vroeg in de ochtend. Dat komt goed uit, want het is rond 7.00 uur hoog water. JA, mensen, 7 uur is vroeg!


26 april Sines 

De zon komt ons als enige uitzwaaien als we vertrekken en langzaam verdwijnen we achter de horizon. Bij Cabo Vicente aangekomen zet de wind aan tot 36 knopen en met een achterlijke wind blazen we richting Sines (maximaal 8,5 knopen over de grond met 1 knoop stroom tegen, we voelen ons in ons sas). Eindelijk weer de golven van de the BIG A (Atlantische Oceaan). Wind uit het zuiden, golven vanuit het noordwesten. We worden als pingpong ballen in een centrifuge van …… naar …… geslingerd. 90Mijl in 14 uur is niet slecht! We komen natuurlijk weer eens in het donker aan. We zijn de enige gasten in de haven: heerlijk rustig en voor de verandering helemaal niet toeristisch. We besluiten hier een paar dagen te blijven want de wind is inmiddels weer noordwest 5 en er wordt noordwest 8 en 9 verwacht. Overigens is de volgende haven Cascais en de liggelden zijn er nu schrikbarend hoog: 42,50 euro per nacht, dus nog een reden te meer om hier te blijven. Onze buitenboordmotor (van de Zilvervloot) is kapot (Paul is in Alvor met de schroef op een kei gevaren) en hier in Sines zit een Suzukidealer die ons zou kunnen helpen. De schroef slipt nu bij veel gas. Het blijkt dat een tandwiel van rubber gebroken is en de dealer moet het onderdeeltje bestellen. Het duurt minimaal een week. We vinden dat te lang: als de wind draait willen we direct vertrekken, dus we proberen het wel in het volgende plaatsje. Ondanks dat