22-06   05-07   23-07   22-08   24-09   08-10   18-12   07-02-2004   22-02   02-05   10-05   WEER THUIS  

Ongelofelijk wat een heerlijk weer, we zijn de 40ste breedte graad al weer een tijdje gepasseerd als we aan dit deel beginnen. Dit is echt het begin van het zuidelijke; palmbomen, relaxed uitziende mensen, toeristen in korte broeken en T-shirts, tropische vruchten en nog veel meer.


8 oktober Nazaré

We liggen nog steeds in Nazaré. De Akane moet toch hals over kop naar huis om een aantal zaken te regelen en raced richting Faro om daar een goedkope vlucht te nemen. Hans Jurgen kent een bedrijf in Duitsland dat propellers met zwenkbladen kan leveren tegen een mooie scherpe prijs. We maken daar gebruik van. Momenteel heeft de Zilver een 17 inch 2-bladsschroef en draait een relatief hoog toerental met een gemiddeld brandstofgebruik van 3,5 a 4 liter per uur. Paul hoopt door een 20 inch schroef te plaatsen het brandstofgebruik te reduceren en een hogere kruissnelheid te halen, zowel op de motor als met het zeil op. Vooral tegen de wind en de stroom kunnen we soms wat meer snelheid gebruiken. Weet je, eigenlijk hebben we alle tijd van de wereld en dan vraag je je soms af: waarom sneller? Helaas kan ik daar geen antwoord op geven. Het is ook leuk om op 1 dag een grotere afstand te kunnen varen en meer vermogen (PK’s) te hebben en het is leuk speelgoed. De havens zijn hier goedkoop (bijvoorbeeld aan de visserskaai 3 euro en in de passantenhaven 8. Laat staan lekker ankeren: dat kost helemaal niets). Maar wij trakteren ons op de haven met de gezellige havenmeester en de mooie grasvelden voor Meis en gaan voor een duik onder de boot om de juiste maten van de schroef boven water te krijgen. De Poco Andante beschikt over een shallow water diving equipment (een apparaat waarmee je tot een meter of 5 kan duiken zonder persluchtflessen te hoeven gebruiken. Het is een soort pomp met een lange beademingsslang eraan, die je op 12V elektra aansluit en…… duiken maar). Maar de Poco weet nog niet of het werkt, want ze hebben ‘m nog nooit gebruikt. Het wordt maar eens tijd dat Paul het gaat proberen. Hij wurmt zich met enige moeite in zijn duikpak en laat zich in het water zakken. Brrr, toch wel wat koud. Ondertussen staat het apparaatje al te draaien onder het toeziend oog van de beste stuurlui aan wal. De flippers gaan aan Paul z’n voeten, de loodgordel gaat om, de duikbril wordt opgezet en hopla, daar gaat ie. Het apparaat werkt prima. Paul kan zonder moeite ademhalen en inspecteert zowel de Zilver als de Poco Andante aan de onderkant. De anode van Poco is weg, dus er wordt een nieuwe geplaatst. Op de schroefas van de Zilver zit een aardige verzameling zeepokken feest te vieren. Dit feestje wordt hardhandig door Paul beëindigd door ze er met een mes af te schrapen. De maten van de schroef worden genomen en toch wel wat kleumend van de kou komt Paul het water weer uit. Tja, het leven van een zeeman gaat niet altijd over rozen. Het shallow-water apparaat werkt dus prima en het is eigenlijk een beter alternatief dan de heisa van persluchtfles voor kleine klussen onder de boot. Paul neemt alle technische gegevens over, om te zijner tijd er ook een te maken. Tijd voor een borrel maar weer. De volgende dag regent het pijpenstelen en behalve voor de wandelingen met de hond wordt de boot niet verlaten. Bartek en Yvonne van de Tadorna komen langs om te proberen een Portugese telefoonkaart op de computer aan de praat te krijgen, zodat we voortaan aan boord de e-mails kunnen lezen op basis van GPRS, maar dat mislukt helaas. Terwijl de mannen zich hiermee bezighouden, vergrijpen de vrouwen zich aan de voorraad spelletjes aan boord. De regen houdt niet meer op en na het eten bombarderen we de avond tot dvd-marathon-avond waarbij ook Keith van de partij is. Tot vroeg in de ochtend worden er 3 speelfilms gekeken en daarna rolt iedereen tevreden in bed. De volgende dag komt Paul erachter dat hij onderwater iets vergeten is te meten. Het duikritueel herhaalt zich en Paul kan gelukkig (boven water) ademhalen nu hij alle maten heeft. De tekening wordt op schaal uitgewerkt en de aanvragen voor een nieuwe schroef kunnen de deur uit.

We zijn er inmiddels achtergekomen dat de sirenes bij de havens niet voor het werkvolk zijn maar voor de veiling. Als er een vissersboot binnenloopt, gaat de sirene af zodat de handelaren zich naar de veiling kunnen spoeden om verse vis te kopen. We nemen er een kijkje met een wasknijper op onze neus. Het is net de bloemenveiling in Holland, alleen iets anders.

In Nazaré staat een grote lange muur, waar we een tekening mogen plaatsen van onze reis of schip als bewijs dat we hier zijn geweest. Daar maken we gretig gebruik van. Vele schepen zijn ons al voorgegaan en de muur ziet er dan ook vrolijk en kleurig uit. De Poco heeft warempel zilververf in een spuitbus; onze tekening kan niet meer stuk. In het begin van de avond starten we ermee en rond een uur of negen bewonderen we de tekeningen van de drie schepen. Het enige dat jammer is, is dat het legaal is. Graffiti spuiten moet eigenlijk een duistere en stiekeme bezigheid zijn. We krijgen wel veel bekijks van passerende auto’s, die echter nalaten de milieupolitie in te lichten. Door ons zelf worden driftig fotootjes gemaakt van zowel onze werkzaamheden alswel van de uiteindelijke kunstwerken die nu op de muur vereeuwigd zijn (naja, of totdat de gemeente besluit de muur eens aan een grondige schoonmaakbeurt te onderwerpen).

Nazaré geeft ons een goed gevoel en er is een prettige uitstraling. Iedereen is erg relaxed en de havenmeester is een man vol met humor. Als Marianne bijvoorbeeld op een regenachtige dag vraagt of hij over een klachtenboek beschikt, knikt hij direct van ja en vermeldt daarbij dat dit boek elke nacht van 01.45 tot 0.200 ter beschikking staat. Marianne besluit de regen dus maar voor lief te nemen. Op het grote grasveld voor de haven lopen veel honden los. Veel zijn van de vissers maar er zijn ook tientallen zwerfhonden. Als je ze nadert blaffen ze hun keeltjes schor, maar zoals wij allen weten: blaffende honen bijten niet en dat gezegde wordt hier toch maar weer eens gelogenstraft. De honden zijn allemaal bang uitgevallen: als Paul zijn hand opheft om de bal weg te gooien, duiken ze in elkaar en lopen weg. Wel zielig. Zullen we ze allemaal maar meenemen? Alleen als ze geen vlooien hebben.

De volgende dag besluiten we om verder te gaan. De wind komt nu nog uit het noordwesten en zal gedurende de komende dagen naar het zuiden draaien. In deze tijd van het jaar houdt een wind uit een richting waar ‘zuid’ in zit meestal slecht weer in. De zomer is extreem mooi geweest en we hebben absoluut geen reden tot klagen gehad: de weergoden hebben ons tot nu toe goed bedeeld.


13 Oktober, Peniche

Het is een lang rak van 32 mijl en wij vertrekken rond een uur of twee. We willen naar Berlenga eiland, een eiland waar vroeger monniken leefden die zeilers (lees schepen) in nood hielpen. Zij bouwden een gigantisch fort tegen de piraten en het eiland is nu een natuurreservaat. We hebben vooraf geïnformeerd en de hond mag hier aangelijnd aan land. Het eiland ligt een mijl of 7 uit de kust en het ziet er natuurlijk weer prachtig uit als je zo aankomt zeilen. Eenmaal aangekomen zoeken we een mooie ankerplaats en passeren daarbij de Poco die haar stek daar al gevonden heeft. Keith zegt dat de grote ballen in het water moorrings zijn en wij zoeken er een op. Bij het hengelen naar de bal uit het water heeft Marianne haar twijfels of het wel moorrings zijn. Het ziet er meer uit als vissersballen, vooral omdat er 2 kleine balletjes naast liggen. Maar zowel Keith als Paul verzekeren haar dat het hier echt gaat om een bal om je boot aan te hangen. Terwijl we een uurtje later druk doende zijn de Zilvervloot te lanceren om met Meis het eiland te gaan verkennen, horen we een luid geschreeuw en we kijken om ons heen. Op de kant staan twee mensen te schreeuwen en te gebaren dat we weg moeten gaan. We kijken elkaar aan en vragen ons vertwijfeld af of we dus toch niet aan een vissersnetboei liggen. Driftig en woedend staan de mannen aan de kaai als wildemannen te gebaren en naarmate zij harder schreeuwen zijn wij er steeds meer van overtuigd dat we aan een visnetboei liggen. We gebaren naar ze dat we het begrijpen en wijzen naar de zee, in de hoop dat zij op hun beurt begrijpen dat we weggaan. Volgens Paul hebben de zeerovers het eiland veroverd en is er niets meer over van de zachte lieftallige monniken. Even later stormt een vissersbootje op ons af met de mannen er in. Ze zijn gelukkig onbewapend (ma: dit is echt een grapje hoor) maar ze hebben toch stevige knuistjes. We geven ze geen kans om hun verhaal te vertellen: we bieden ons excuus aan en vertrekken stante pede naar Peniche. Zo, daar zijn we goed vanaf gekomen.

De avond is prachtig, de wind zet aan en met 7 knopen snelheid varen we in een uurtje naar Peniche waar we tevreden een plaatsje langszij opzoeken om te gaan slapen. Wat een avontuur met een nipte ontsnapping. Later op de avond krijgen we een sms van de Tadorna die ook op weg zijn gegaan van het eiland naar de haven van Peniche. Zijn zij ook weggejaagd door deze verschrikkelijke eilandboemannen? Welnee hoor, het bleek dat deze mannen dachten dat we ons zware schip vast hadden gemaakt aan het zogenaamde oppikboeitje. Dit boeitje heeft een klein lijntje van een metertje of 4 naar een zwaardere landvast die geankerd zit aan de bodem. Het oppikboeitje is makkelijk om op te pikken en daarmee de zware landvast aan boord te trekken, maar is niet geschikt om een zware boot aan te hangen. Als het lijntje breekt, hebben de mannen enorm veel werk om het te repareren. Wij hadden onze eigen lijn echter al gekoppeld aan deze landvast omdat deze helemaal vol met viezigheid zat. En onze lijn is veel dunner dan hun landvast. Dit hadden de verschrikkelijke mannen niet gezien. Toen zij met hun boot naar onze boot kwamen, zagen ze al dat het OK was, maar wij gaven ze geen kans om dat te vertellen. Portugees is een lastige taal om te spreken maar zeker om te verstaan. Zo zie je maar weer dat je eerst moet luisteren in dan pas moet reageren. Inderdaad………. wat een avontuur. Onze dromen zijn die nacht gevuld met eenogige piraten die met hun zwaarden onze boot loskappen terwijl de papagaaien op hun schouder luidkeels Portugese scheldwoorden over ons uitstorten.


15 Oktober, Cascais

Cascais ligt aan een baai waar de rivier zich een weg baant naar Lisboa (Lissabon). De almanak vertelt ons dat er een splinternieuwe haven is gebouwd en dat Cascais de forenzenstad van Lissabon is. We verwachten er dan ook niet veel van. Het zal wel zo’n lelijke stad met stijve flatgebouwen zijn die nu dan ook nog voorzien is van een lelijke stijve marina. We zullen wel zien. Goedgeluimd gaan we op pad. Noordenwind: yes, de spinnaker kan weer eens uit de zak. De wind is niet echt geweldig op dreef, maar we gaan nog altijd vooruit in een variabele snelheid tussen de 3 en de 7 knopen. Het is echter prachtig weer en wat nog beter is: het is dolfijnendag. Bijna de hele tocht lang worden we vergezeld door groepjes dolfijnen. Nieuwsgierig naderen ze onze boot, zwemmen een eindje mee en verdwijnen dan weer tot zich het volgende groepje meldt. Aan het einde van de dag worden ze wat baldadig. Naast onze boot ravotten ze met elkaar en ze springen met hun kop een eind boven het water uit, om dan met een flinke plons op het zoute vocht terug te vallen. Nog later op de dag, als het al donker is, verschijnt weer een groep. Ze zwemmen naast de boot en laten een feeëriek lichtgevend blauw spoor achter, dat veroorzaakt wordt door de algen in het water. We zijn in inmiddels in Cascais aangekomen en roepen gedag naar het laatste groepje dolfijnen. In het donker ziet Cascais er helemaal niet zo verkeerd uit: we zien geen lelijke flatgebouwen en zelfs de haveningang ziet er vriendelijk uit, zeker als er iemand op ons staat te wachten die ons verteld waar we moeten gaan liggen en ons komt helpen met aanleggen. Terwijl we naar de aangewezen plaats varen valt ons oog direct op een groot schip met 2 vreemde dikke masten/pijpen erop. “Lijkt de boot van Jacques Cousteau wel” roept Marianne naar Paul. En wat schetst onze verbazing als we de boot passeren: het is de boot van Jacques Cousteau, de Alcyone. Waaauw! Onze verbazing stijgt als de havenmeester ons een plekje direct naast de Alcyone aanwijst. We liggen hier gewoon naast de boot van Jacques Cousteau, de boot die we vroeger altijd in zijn films zagen en waarvan we ons afvroegen waar die dikke pijpen/masten voor dienden! De volgende dag is het een drukte van belang op de steiger die onze twee boten scheidt. Grote kisten met materiaal staan over de steiger verspreidt en er wordt druk met een hefkraantje getakeld. Meis vindt het allemaal reuze-interessant en staat met haar snufferd midden in de werkzaamheden. Als Marianne haar terugroept en excuses aanbiedt, krijgt ze op haar beurt excuses van de Fransman voor de rommel op de steiger. Da’s natuurlijk geen probleem: daar hebben we helemaal geen last van. Maar ze grijpt wel haar kans om te vragen naar de pijpen/masten. De vriendelijke man legt haar - in zijn met een Frans accent doorspekte Engels (hetzelfde zoals Jacques Cousteau dat altijd in zijn films had) - uit dat het masten zijn met grote roosters erin. Deze boot is een prototype voor een nieuw ‘motorzeil’systeem. Tijdens het varen waait de wind door de masten waarin zich boven in een grote ventilator bevindt. Het is een windturbinesysteem dat het brandstofgebruik van de boot sterk reduceert. Zo simpel is het. Marianne vertelt dat ze altijd enorm van de Cousteau-films heeft genoten en als kind met open mond voor de tv zat om de toch altijd wel wat spannende avonturen mee te beleven. De man zegt dat ze zich nu aan het voorbereiden zijn op het maken van een nieuwe film, de eerste na de dood van Jacques Cousteau, zo’n 4 jaar geleden. Ze vertrekken een dezer dagen naar de Middellandse en de Zwarte Zee. Onderwerp: nog geheim. Als Marianne even later de man tegenkomt heeft hij een folder van de Alcyone gehaald met een nog natte versgezette stempel van The Cousteau Society erop. Merci beaucoup! In de komende dagen spreken we de man wat vaker en stellen hem honderd-en-een vragen, maar we durven niet te vragen of we aan boord mogen komen kijken: ze zijn zo druk bezig. Ondertussen genieten we van Cascais. Niks grote lelijke flatgebouwen. Het is een mooie stad met oude gebouwen en parken en veel palmbomen. Zowel de Poco Andante als de Tadorna en de Anna liggen ook in Cascais en als we met elkaar aan de borrel zitten besluiten we voor de volgende dag een auto te huren om in Sintra een enorme ruïne van een Moors kasteel te gaan bekijken. Al gauw wordt duidelijk dat het een autobusje moet worden, aangezien we met 8 volwassenen en 1 hond zijn. Kan allemaal geregeld worden en kost een habbekrats. Bij het krieken van de dag (10.30 uur) stijgen we gezamenlijk in het busje voor ons dagje uit. We maken een prachtige tocht lang de kust en rijden dan de bergen in door pittoreske Portugese dorpjes, die bol staan van de kleurige bloemen die nog naar hartelust bloeien. Hoezo vriest het in Nederland? Dat maakt Spanje en Portugal trouwens tot zulke vrolijk uitziende landen: behalve de overdaad aan kleurige bloemen die overal te bewonderen is, wordt ook het houtwerk van huizen en boten in felrood, licht- en kobaltblauw en helgeel geschilderd. En dan niet 1 boot geel en de andere blauw, nee, 1 boot wordt in vlakken met 3, 4 of 5 kleuren tegelijkertijd geschilderd. De kwast van Piet Mondriaan zou d’r van gaan jeuken. In Sintra parkeren we het schoolreisbusje en we gaan op verkenning uit. Het oude stadje ziet er gezellig uit en we vinden dat we na de tocht wel een versnapering verdiend hebben. We vinden een piepkleine uitspanning langs de weg en zijgen daar neer voor een Galão (koffie met melk in een glas: een Portugese specialiteit) en een chocoladetaart die een welverdiende plaats hoog in de taarten-top-10 krijgt. Daarna wandelen we een rondje Sintra en op een gegeven moment staan we voor een enorme waterbak van zo’n 10 meter breed, prachtig versierd met de welbekende Portugese tegeltjes. Ervoor is het een drukte van belang met mensen die met hun auto komen voorrijden, tientallen lege 10-litervaatjes uit de kofferbak trekken, die zij met water uit de kranen van de waterplaats laten vollopen. Het zal toch niet waar zijn? Bestaat ie echt? Is de legende echt waar? Zijn we hier eindelijk aangekomen bij de Fontein des Jeugds? Maar waarom zien deze mensen er dan allemaal zo oud en chagrijnig uit? Moeten zij na een slok van dit levenswater niet gaan bruisen? Moeten zij niet uitbarsten in een jubelzang over het leven? Moeten zij niet gaan stralen van geluk? Moeten zij dit kostbare vocht niet met allen willen delen, zodat eenieder die met dit gelukswater in aanraking komt de boodschap kan gaan verbreiden? Meis heeft van het wandelen wel zin in een slokje jeugdwater, dus Marianne begeeft zich met een klein flesje richting fontein. Het ziet er lachwekkend uit naast al die 10-litervaten. Vertwijfeld sluit ze zich achter de rij wachtenden aan. Dit kon wel eens een avondvullend programma worden. Bij de kraan maakt een man gebaren: ‘kom maar met dat ietepieterige flesje’, maar aan zijn gezicht kan je zien dat ie het niet echt van harte doet. Marianne probeert tijdens het vullen aan hem te vragen of onze vermoedens omtrent de Fontein des Jeugds juist zijn, maar de man heeft geen zin om te antwoorden. Hij is te druk bezig met z’n vaten. Een wachtende man geeft het antwoord: “Dit water komt rechtstreeks van de bergen en het is het lekkerste water in heel Portugal. En daarom komt iedereen hier van heinde en ver z’n flessen vullen.” Boem. Uit met de droom. Niks jeugdigs aan te bekennen. Tuurlijk moeten we wel allemaal even proeven van het lekkerste water van Portugal. Het restant is voor Meis. Via een prachtig heuvelachtig park wandelen we terug naar het busje, voor een toer nog verder de bergen in naar het Moorse kasteel. Bij het busje ontdekt Keith op de paal van een prullenbak een wandelende tak. Het is een prachtexemplaar van zeker 10 centimeter lang. Nadat we ‘m uitvoerig bestudeerd hebben, plaatsen we ‘m op een boomstam. Daar hoort ie thuis en niet op een prullenbak. We kachelen de bergen in over een smalle weg met haarspeldbochten. Omdat de handrem van het busje niet goed werkt, is het af en toe een hachelijke onderneming om vanuit stilstand weer op te trekken. Uiteindelijk komen we op de top van de berg aan en we gaan de ruïne verkennen. Het kasteel moet echt enorm groot zijn geweest: we dwalen gedurende 2 uur in de overblijfselen ervan rond waarvan de oudste delen uit de 6e eeuw stammen. We beklimmen de uitkijktorens en hebben het idee over half Portugal uit te kunnen kijken, inclusief een mega-wijde blik over de oceaan. Zien we daar Amerika liggen? Na de nodige fotosessies met zelfontspanner (die natuurlijk bijna allemaal mislukken) om het totale busgezelschap te vereeuwigen lopen we richting uitgang en stuiten daarbij op een wasplaats met in de grond gegraven bassins. In 1 ervan zien we plots salamanders. En niet zo maar van die kleine beessies. De grootste van het stel is een echte lelijkerd met een dikke gemene kop vol wratten, die zonder staart al 15 centimeter meet. De rest valt wel mee, maar geen van ons voelt zich geroepen een aai over hun kop te geven. Foto’s maken dan maar weer. We duiken de bus in en hobbelen huiswaarts. Onderweg begint het te hozen en tot overmaat van ramp verdwalen we. En een honger dat we inmiddels hebben. We besluiten dat ieder om de beurt bij een kruising ‘links, rechts of rechtdoor’ kiest en hopen dat we zo bij een restaurant zullen uitkomen. En zo geschiede. Niet dat het een mooi restaurant is, neen. We zijn in een soort flatgebouwen-volksbuurt uitgekomen en het restaurant dat voor ons opdoemt is een kale ruimte met een TL-balkenplafond compleet met in rijen van 3 opgestelde tafels. Maar dat kan ons niet bommen: we hebben honger. De eigenaar heet ons heel hartelijk welkom en samen met zijn vrouw presenteert hij ons een fantastische maaltijd. Meis mag ook hier niet binnen “vanwege de andere gasten” zoals de man ons verteld. Maar die andere gasten blijven uit, dus we hebben de hele met sfeervolle TL-balken verlichte zaal voor ons zelf. Tijdens de maaltijd komen we erachter met hoeveel nationaliteiten we hier eigenlijk verenigd zijn: Keith is geboren in Wales, Christine in Nieuw-Zeeland, Bartek in Polen, Yvonne in Duitsland, Arienne (van de Anna) in Frankrijk en Roel, Paul en Marianne, ocherm, zijn echte Hollandse kaaskoppen. Na het eten rijden we met de bus nog even over de Europese Golden Gate Bridge, de prachtige 25-Aprilbrug van Lissabon. De volgende ochtend gebruiken we de bus nog om uitgebreid inkopen te gaan doen in de supermarkt en daarna is het uit met de pret. Het weer is niet je-van-het, want er staat een stevige zuidwester en geen van ons heeft de behoefte te vertrekken. De heren gaan met de ‘gewone’ bus naar een doe-het-zelfzaak terwijl de dames de hele dag zomaar voor zichzelf hebben, ze wandelen naar het strand, sjokken door een park met enkele exotische vogels en gaan op zoek naar een restaurantje voor de lunch. En daar eten zij een chocoladetaart die zijn meerdere nog niet heeft mogen zien. De dagen erop worden gevuld met migraine voor Marianne en klussen voor Paul. Er wordt een met grote windroos versierde plaat gemaakt om over het fornuis te leggen als we aan walstroom liggen en het elektrisch kookplaatje gebruiken. En er wordt een aanvang gemaakt voor het maken van horren voor de ramen, want in Cascais stikt het van de muggen en we worden er echt hor(r)endol van.


22 oktober Lissabon

Dan is het tijd om eens onder de 25 Aprilbrug van Lissabon door te varen in plaats van er met een busje overheen te rijden en dat gaan we samen met Bartek en Yvonne van de Tadorna doen, die nog steeds een keer met ons mee willen varen. Ze nemen hun slaapzakken mee en we vertrekken naar Lissabon, een tochtje van 12 mijl. Er staat een prachtige wind en we speren er naar toe en vragen ons af waarom al die andere zeilboten hun anker uithebben?! We komen langs het enorme beeld van Henry the Navigator en als we onder de brug doorvaren worden de nodige foto’s gemaakt en zijn we bijzonder tevreden met onszelf. Aan stuurboord passeren wij een gigantisch standbeeld van een Rio-de-Janeiro-Jezus op een sokkel van een metertje of 60. Een indrukwekkende aanloop van deze stad. De havens zijn erg vol maar we weten een plekje te bemachtigen in de eerste haven na de brug en tevens de grootste van Lissabon: Doca de Alcantara (maximale diepgang 10 meter en beschut voor alle winden en zeegangen). Dat is geen probleem voor de Zilver. De overnachting kosten zijn 25 euro, er is alleen geen water of elektra aan deze steiger. Er is ook wel plek aan de steigers met al deze faciliteiten, deze zijn 30% duurder. Maar een volle watertank en een storm op komst doet ons besluiten om lekker te blijven liggen. Als de storm komt levert de windgenerator voldoende energie.

Het zonnetje schijnt heerlijk en we trekken er op uit. Lissabon is een levendige stad die op een drietal heuvels is gebouwd. Het is wel even schrikken al deze drukte. Auto’s, bussen, trams, treinen, taxi’s, mensen en geen fietsen maakt ons wel een beetje zenuwachtig. Is dit het dan? Of is dit een van de redenen waarom je bent vertrokken? Heuveltje op en heuveltje af naar het centrum. We worden er moe van. Op de weg terug vinden we een leuk restaurant waar we ons lekker laten verwennen met lokaal voedsel, totale kosten 9 euro per persoon (soep, hoofdmaal en drank). Eenmaal op de boot is eenieder moe en duiken we in de zak. De volgende dag staat de bezichtiging van het kasteel boven op een van de heuvels op de planning. We nemen Meis niet mee want het is nogal een eindje weg en bovendien willen we de echte oude trammetjes die bij bosjes in Lissabon rijden wel eens proberen. Ze zien er van buiten al prachtig uit en eenmaal binnen waan je je zo’n 50 jaar terug. We treffen een trammetje met een heel aardige chauffeuse. Ze vertelt ons het een en ander over Lissabon en wijst ons naar de juiste bus om naar het kasteel te komen. Het laatste stuk naar boven is heel steil en leidt door smalle steegjes, bomvol met geparkeerde auto’s. We willen bijna applaus geven voor de chauffeur die ons af en toe met millimeters speelruimte erdoorheen loodst. Het kasteel is natuurlijk weer indrukwekkend. Het leuke aan deze zuidelijke landen is dat men het cultureel erfgoed voor iedereen openstelt. Niks toegangskaartjes, niks verbodsborden en hekken: iedereen is welkom om ervan te komen genieten. Op de open stukken worden picknicktafels geplaatst, soms zelfs vergezeld van barbecues, zodat een bezichtiging van een ruïne of kasteel of van gewoon een mooi uitzicht op een berg een gezellig dagje uitvoor het hele gezin kan zijn. Uit uitzicht vanaf dit kasteel over Lissabon is indrukwekkend: in de verte de 25 Aprilbrug met het grote Jezusbeeld en daarvoor de glooiende stad. Het is inmiddels al wat later in de middag en we hebben het voorrecht om de stad langzaam in de avond te zien overgaan. Een romantische zonsondergang en de lichten die langzaamaan overal aangaan. Tja, foto’s maar weer. De terugweg doen we te voet. We wandelen op ons gemak naar beneden en komen dan langs – waarschijnlijk het kleinste restaurantje ooit. Het ziet eruit als een keuken: helemaal wit betegeld, 2 tafeltjes met stoelen, in 1 hoek de harmonicadeur naar de toilet en in de andere hoek te televisie. Dit lijkt ons wel wat: Bartek en Marianne zijn enthousiast omdat het er zo maf uit ziet, Paul heeft z’n bedenkingen (dat eetavontuur in Spanje zit ‘m nog steeds dwars) en Vonnie is neutraal. De toegangsdeur is direct aan de straat en het verkeer rijdt dus vlak voor onze tafel langs, inclusief trammetjes. We bestellen het menu van de dag. De soep wordt gebracht en ons enthousiasme begint wat te tanen: de kok heeft waarschijnlijk per ongeluk het zoutvaatje uit z’n handen laten vallen en dat helaas net boven de soeppan. Zoiets kan gebeuren, niet dan? Dus we doen ons best en eten de soep op. Dan wordt het hoofdgerecht gebracht: rijst met vis. We openen de schaal en zien daar een soort rijstsoep in met wat stukjes vis en garnalen. Oké, het ziet er wat drassig uit, maar wat geeft ‘t. We scheppen onze borden vol, wensen elkaar sterkte en nemen een hap. Jakkes. De rijst is niet gaar en er zit een vreemd smaakje aan het geheel. We trekken vieze grimassen naar elkaar en houden het na enkele happen voor gezien: dit is dus niet te eten. Het nagerecht willen we niet eens meer zien. We betalen de rekening en vertrekken. Wat een miskleun. Dit is dus echt de laatste keer dat we zoiets proberen. De Smaakpolitie zou eens een kijkje in Spanje en Portugal moeten gaan nemen: het eten is een sleezy snackbar in Nederland is Haute Cuisine vergeleken bij wat we nu af en toe voorgeschoteld hebben gekregen! Als we beneden in de stad zijn aangekomen, nemen we nog snel een kop koffie om de vieze smaak weg te werken. Yvonne en Bartek blijven 2 dagen logeren en gaan dan met de trein naar hun eigen boot in Cascais terug. Even weer rust. Voor de komende dagen wordt weer flinke storm afgegeven: windkracht 10 tot 11 en……golfhoogtes van 10-11 meter! Hoewel we graag eens zouden zien hoe de Atlantische Oceaan er dan uitziet, inspecteren we slechts de landvasten, sjorren de bijboot goed vast op het dek en blijven lekker liggen waar we liggen. En we laten ons dieselkacheltje voor de eerste maal snorren. Heerlijk warm is dat en het is gezellig om naar de vlammen te kijken. Als het hard waait moet je wel opletten dat je de ventilator van de kachel ook aanzet. Daar komen we achter als de wind in de schoorsteen slaat en het kacheltje alleen nog maar dikke rookpluimen produceert. De boot veranderd direct in een grijs wolkendek en snel wordt een dakluik opengegooid om de rook naar buiten te werken. Binnen enkele minuten horen we gerommel op de steiger en iemand begint wild op onze boot te kloppen, onderwijl "Fire, fire” roepend. Wat blijkt, achter ons ligt een houten schip. De eigenaar zat binnen en rook ineens brandlucht. Met een houten schip onder je bibs is dat natuurlijk niet zo fijn, dus hij was in paniek opgesprongen om te kijken waar het vandaan kwam en toen zag hij onze grijze rookpluimen. We kunnen hem snel geruststellen en brengen het kacheltje weer aan de gang, dit keer met ventilator aan. Laat nu de storm maar komen! De dagen erop vermaken we ons in Lissabon. We winkelen wat, sjokken door de straten en steegjes, bestellen glazen voor ons olielampje bij Plastimo (waarvan de laatste in Spanje al gesneuveld is en die we nergens kunnen krijgen), we kopen de Imray-pilots voor Zuid-Spanje en Noord-Afrika. We maken de wandeling naar het standbeeld van Henry the Navigator. Ervoor ligt een indrukwekkend plein waar met marmer een enorme windroos is ingelegd, met in het middelpunt de wereldkaart, die weer is versierd met ingelegde tekeningen en historische gegevens. Voor Meis is het een heerlijke wandeling want het grootste gedeelte van de route leidt over grasvelden, waar ze heerlijk achter de bal kan aanrennen. ’s Avonds laat worden we opgeschrikt door geklop op de boot. Paul gaat naar buiten en treft een Franssprekende-man-in-paniek-en-kostuum aan. Marianne moet erbij komen om uit te vinden wat loos is. Al snel zijn we erachter dat er problemen zijn met de grote feestboot die overdag achter onze boot ligt en ’s avonds met feestgangers erop uit trekt. De boot is in aantocht en 1 van de 2 motoren is kapot en nu weten ze niet of ze op tijd kunnen “remmen”. De kapitein van het schip heeft de eigenaar gewaarschuwd dat de Zilver even weg moet, zodat zij de ruimte hebben om in te parkeren als het fout gaat. Geen probleem natuurlijk. Geholpen door de Franssprekende-man-in-paniek-en-kostuum en 2 douane-agenten worden de trossen losgegooid en varen wij een endje het water op. “10 minuten” roept de Franssprekende-man-in-paniek-en-kostuum die inmiddels in de loeiende storm een paraplu boven zijn hoofd weet te houden, want natuurlijk is het gaan regenen. Golven van excuses volgen achter elke zin die hij ons toeroept en er staan bijna tranen in zijn ogen. We hebben wat medelijden met hem en blijven maar roepen “pas de problem, pas de problem”. We vinden het eigenlijk wel leuk: varen we tenminste weer een stukkie (nou ja, een heel klein stukkie dan). Al met al duurt het een half uur voor de feestboot er is en ze leggen zonder problemen aan. De kapitein steekt zijn hoofd door het raampje hoog boven ons en seint met een zaklamp dat de kust klaar is en wij weer op ons plekkie terugkunnen. Met een armzwaai bedankt ie ons. Bij het aanleggen aan de steiger komt niemand ons helpen, maar staan ze allemaal hoog vanaf de kade te koekeloeren. Onder volle publieke belangstelling legt Paul de boot prachtig aan en maakt Marianne een worp met de lijn die – al zou je het 100 keer proberen - niet kan lukken, maar nu in 1 keer raak is. Bijna applaudisseren voor onszelf, maar we blijven natuurlijk stoer kijken, alsof we zo altijd aanleggen. Als we weer vast aan de steiger liggen komt Franssprekende-man-in-paniek-en-kostuum-die-nu-niet-meer-in-paniek-maar-nog-wel-in-kostuum-is een grote fles Port brengen. Had niet gehoeven, maar dankuwel! Die komt wel op schatten we zo in. Na enkele dagen komt de Tadorna bij ons liggen. Tussen 2 stormen in zijn Bartek en Yvonne snel van Cascais naar Lissabon gevaren. Terwijl Bartek druk doende is een windvaaninrichting voor zijn boot te maken, bezoeken wij met Yvonne de Expo in Lissabon. Het is een indrukwekkend terrein dat ervoor is gereserveerd. In de eerste Expohal is een Amerikaans-achtig winkelcentrum gemaakt en dat is al helemaal in Kerstsfeer ingericht. Terwijl het buiten 25 graden is loop je binnen tussen de miljoenen kerstlichtjes en –ballen. Heel raar! We wandelen over het Expoterrein en maken een ritje in de kabelbaantjes, maar het Aquarium slaan we over: dat hebben we in La Rochelle al gezien. Zo gaan de dagen en de storm voorbij en 12 dagen in Lissabon kost een fortuin maar was wel de moeite waard. Nu is het mooi geweest, ‘t wordt tijd om verder te gaan.



4 November, Sines

Ondanks dat de weergoden weer de verkeerde wind (S SE 3-4) afgeven besluiten we toch maar te gaan ook al betekend dit motoren. Paul voelt zich ziek (griepje), maar om 5.30 uur staat hij bezakt en bepakt achter het roer. Marianne staat wonder boven wonder ook naast haar bedje en om 6.00 uur vertrekken we. We hebben nog 2 uurtjes de stroom mee voordat we op open water zijn. Met 7 knopen denderen we de stad uit. We kijken met een voldane blik naar de dingen die wij 12 dagen geleden voor het eerst zagen; het lijkt nu zo gewoon. Eenmaal op zee staat de wind er gunstiger voor dan we dachten en met een knoopje of 5 zeilen wij richting de Algarve. We willen een tussenstopje maken in Sines. Een haventje dat goed staat aangeschreven in de almanak en in ieder weertype is aan te lopen. Het wordt een saai tochtje. Paul ligt ziek op bed en Marianne kan haar ogen haast niet open houden van de slaap. Het wordt een tochtje waar we ieder om de beurt een flinke dut maken.

Rond 5 uur in de avond komen wij aan en de havenmeester komt ons een handje helpen en we sjokken weer naar de douane en naar het havenkantoor. Nog steeds moeten we alle papieren meenemen, maar vaak kijken ze er niet in en nemen genoegen met het formulier van een eerdere haven.

Het is inderdaad een mooi haventje, het dorpje ligt gesitueerd in een bergplooi en kijkt in de rode avondzon glazig over de oceaan uit. Als je de voorhaven invaart zie je aan stuur- en bakboord industrie liggen, maar eenmaal in het passantenhaventje zie je hier niets meer van, omdat de berg zich om het haventje wikkelt, erg grappig.

We liggen als enige passant aan de steiger. Een heerlijk rustig gevoel, zeker na een drukke stad als Lissabon. Paul voelt zich nog steeds niet lekker en heeft koorts. Marianne hoest als geen andere. Soms lijkt het net of de hond jaloers is. Zo’n mooie blaf en dat voor een enkele uren lang.

De volgende ochtend is Paul nog steeds ziek en slaapt bijna de gehele dag. Marianne leest buiten op het dek een heel boek uit; de temperatuur is 28 graden en de hemel is strakblauw. Het hoesten gaat al beter (of slechter; ’t is maar hoe je het bekijkt).

De weersverwachting is nog steeds niet wat we zouden willen, de wind en de golven staan verkeerd en ons volgende tochtje is een mijltje of 80, dat willen we zeilen en niet motoren. De volgende dag heeft Paul zijn griepje eruit gezweet en we gaan de markt op om wat groenten en vis in te kopen voor de paella voor vanavond. We krijgen de Tadorna op visite en keuvelen over het een en ander. Bartek heeft de windvaan stuurinrichting bijna klaar en we bekijken hoe de laatste aanpassingen aan het balansroer gemaakt kunnen worden. Dan rolt er een weerbericht uit de Navtex, waar op staat dat de wind naar het noorden gaat draaien, kracht 3 tot 4 en wel vannacht. Dus ons plan wordt aangepast: opruimen, slapen en om 3.00uur in de ochtend (voor ons 3 uur in de NACHT) vertrekken. Zo gezegd, zo gedaan, de wekker gaat af en het is 4.00 uur voordat wij de box uitvaren. Adieu Sines, je was mooi en goedkoop (sorry voor mijn Nederlands). Rond 6.30 wordt het licht.


8 November, Lagos

Jip, natuurlijk weer eens geen wind. We willen nu toch echt Cabo de São Vincente ronden, om van de Algarve te gaan genieten. De temperatuur is daar nog iets aangenamer dan langs de westkust. Om maar even met wat cijfertjes te gooien, is de kans op storm in de zomer 1% en in de maand januari 8%. Gemiddelde tempratuur nu rond 18-20 graden en minder golfslag dan aan de westkust.

In afwachting van de wind varen we ‘lekker’ motorend we naar het zuiden. Gelukkig komen de golven van het westen. We hebben het grootzeil staan, maar de wind laat het echt helemaal af weten. Rond de Kaap kan het flink spoken. Golfstromen, golven en wind kunnen hier uit totaal verschillende richtingen komen, dus we willen niet te veel tijd verliezen in het voortraject, omdat de tocht dan te lang gaat duren voor de hond. Het is een saaie tocht, we slingeren van links naar rechts voor wel 10 uren, dit is zeken niet het tijdstip om je baard/bikinilijn te scheren met je pas geslepen fileermes of met vaders antieke knijptang een splinter uit je kleine teen trekken en dat alleen omdat je er netjes uit wil zien bij de aankomst. Nee, het is een koersje om je natje en droogje vast te houden tot dat het leeg is.

Eenmaal om Cabo de São Vincente worden de golven lager en lopen langzaam van achteren op. Een heerlijk koersje, niet alleen voor ons maar ook voor………… Meis. JAZEKER, DIT IS GEWELDIG; ze geeft aan dat ze naar de punt van de boot wil. ‘No problemo’ zeggen we (ja, Meis spreekt inmiddels een aardig mondje Spaans). En wat denken jullie? Mevrouw gaat gewoon haar behoefte doen. Dit is zeker een hondentaartje en een flinke borrel waard. Heerlijk, een geruststellende gedachte voor hond- en mensheid. Zonsondergang is om 18.00 uur en dan is het ook direct donker. Maar het is volle maan en de zee glimt als de theepot van de geest Alladin. Deze vollemaanslamp is een prettige bijkomstigheid, want in deze contreien worden weer andere vissersnetten uitgegooid: van 2 tot 3 mijl lange tonijnnetten. De luxe en meest dure uitvoeringen hebben aan de uiteinden 2 meter kleine kardinaalboeien en de goedkope en meeste populaire uitvoering, je raadt het nooit???? Ja, vlaggetjes en wel twee aan een stokje, dus opletten geblazen. Ook deze klus is weer geklaard, rond 20.00 uur arriveren we in Lagos en leggen de boot aan de aanmeldsteiger. De procedure die nu komt hoeven we niet uit te leggen. Rond 23.00 uur vallen we als een blok in slaap.



De volgende ochtend regent het en we besluiten maar eens niets te doen. Saai? Nee heerlijk!

O ja, Paul moet nog even naar de motor kijken, omdat deze tijdens de laatste tocht veel witte rook produceerde. En ja hoor, de waterpomp levert te weinig koeling voor de motor. Na een kleine inspectie blijkt dat de wierpot volzit met allerlei rotzooi. Even verwijderen en alles weer in elkaar schroeven. Potjan…, de waterpomp levert nog steeds te weinig koeling en Paul ziet dat de aanvoerleiding vacuüm wordt gezogen. Dat houdt in dat ergens een leiding is verstopt. Al snel komen we erachter dat het bij de afsluiter zit en er zit niets anders op dan het duikpak weer aan te trekken en het koude water in te gaan. Waarom ook niet, het regent al. Paul ziet al gauw dat er een groot dik stuk plastic in de afsluiter zit en begint direct onder water te rommelen om even later kouwelijk maar triomfantelijk weer boven water te komen om te vertellen dat het probleem is opgelost. Marianne heeft inmiddels een lekkere mok hete chocomel met rum gemaakt om Paul op te warmen. Kennelijk heeft zij het ook koud gekregen, want ze drinkt enthousiast mee. De rust is weer teruggekeerd en we gaan verder met onze bezigheid van deze dag, lekker niets doen. De volgende dag gaan we nog even Lagos in voor wat boodschappen. Het is net of je in klein Engeland bent: iedereen spreekt je in het Engels aan. Echt leuk vinden we dat niet, we zijn tenslotte in Portugal en niet in Engeland. We zijn al een tijdje op zoek naar een betere digitale camera. Onze camera is erg oud en we kunnen in de beste resolutie (die al niet zo goed is) iedere keer maar 17 foto’s nemen. Zeker op dolfijnengebied is dat erg lastig, maar ook als je ergens rondloopt moet je telkens erg ‘zunig’ zijn met het maken van foto’s. Onze keus was al een tijdje gevallen op de Fuji S5000. Een semi-professionele camera met veel mogelijkheden: hoge resolutie (veel pixels), filmpjes maken, goede zoom en mogelijkheid voor telelens. Tijdens onze tocht door Lagos lopen we warempel tegen een Fuji-dealer aan (figuurlijk gesproken) die de camera in de aanbieding heeft en we gaan over tot de aanschaf ervan. Op een terrasje gaan we bij een kopje Galão zitten ‘spelen’ met onze nieuwe aanwinst: wat een verschil! Haarscherpe foto’s, zelfs met flink zoomen. Hiermee zijn we enorm blij!


11 November, Portimão

De nieuwe Marina van Portimão bestaat sinds 1999 en ligt erg goed geschut: de golven kunnen de haven niet inrollen. Ondanks dat het er op het plaatje niet bijzonder Portugees uitziet gaan we er naartoe, omdat de Akane er ligt en we willen even bijpraten over hoe het in Duitsland was. We vertrekken laat want het is maar 7 mijl verder op en we hopen dat het stukje te bezeilen is. Er staat nu bijna geen wind en in de avond neemt het wat toe. Het enige waar we rekening mee moeten houden is springtij, maar de aanloop is eigenlijk diep genoeg. Rond 17.00 uur vertrekken we. Rustig varen we over de baren. Overal visserbootjes en vlaggetjes. Goed opletten dus weer. We doen het prima vinden we zelf totdat we hard gefluit horen. We kijken om ons heen en zien in de verte een visserbootje waarop 2 mannen heftig staan te gebaren. We begrijpen echt niet wat ze bedoelen en gooien het roer om. Als we dichterbij komen begrijpen we wat ze bedoelen: het vlaggetje dat vlak bij hun boot ligt is niet van hen, maar van een boot die een mijltje verderop ligt. Oeps. Waren we bijna in een tonijnnet gevaren. De vissers bedanken ons en wij bedanken hen en we varen met een grote boog om het vlaggetje heen. We zijn blij dat de heren en dames vissers hun eigen chaos correct aangeven. Althans, voor ons ziet het eruit als een chaos. Misschien was het wel verstandiger geweest om een paar uur eerder te vertrekken, bij daglicht. Of misschien moeten we voortaan een paar mijl verder uit de kust gaan varen, waar minder vissers zijn. We zullen het nooit weten. Ach ja, dit houdt ons van de straat.

Rond 21.00 uur lopen we de haven binnen waar niemand aan de gastensteiger ligt. Het is er lekker rustig in verhouding met Lagos. De Akane komt langs voor de borrel. We hebben een hoop bij te praten en pas laat nemen onze gasten afscheid van ons en duiken we in ons heerlijke bedje. Moe van het nietsdoen vertrekken we direct naar dromenland.

De volgende ochtend schijnt een waterig zonnetje door ons slaapkamerraampje: dit is de manier om ons wakker te maken! Na ons ontbijt maken we een flinke wandeling van 3 uur met Meis. De stad is redelijk leeg, omdat het geen hoogseizoen is en alle Engelsen, Duitsers, Nederlanders en wie weet wat voor gespuis nog meer, zijn naar huis. Alleen de dyhards en de bejaarden zijn er nog. We banen ons een weg over de braakliggende grondstukken van de Portugese makelaars naar het centrum, om bij de dierenarts anti-hartworm tabletjes te halen. (Nee, niet voor ons zelf maar voor Meis). In de Algarve en Marokko is het van groot belang dat je de tabletten aan de hond geeft, want de hartworm kan dodelijk zijn. Deze missie is geslaagd tevreden drinken we een kopje Galão en gaan terug. De haven heeft als service dat ze je met een busje naar een groot winkelcentrum brengen. Daar hebben wij wel oren naar want onze voorraden beginnen weer aardig te slinken. Dus de volgende ochtend staan we gewapend met grote boodschappentas klaar voor de strijd. We zijn niet de enigen: het busje zit vol. Het zijn toevallig allemaal Duitsers en we raken aan de praat. Het blijkt dat ze allemaal 6 maanden in Portimao blijven liggen om te ‘overwinteren’. We begrijpen eerlijk gezegd niet waarom: het weer is nog steeds heerlijk. Oké, d’r zitten wat stormen tussen, maar die kan je overal in een haven ‘uitliggen’. We zouden er helemaal depressief van worden om hier 6 maanden te liggen met alleen maar niet-Portugesen om ons heen (de hele haven is gevuld met Nederlandse, Engelse en Duitse schepen). Als Yvonne van de Tadorna de volgende ochtend ruzie hoort maken bij het busje (“ik had maandag al gereserveerd en jullie niet, blablabla”), vinden wij dat het direct tijd is om te vertrekken. Wegwezen hier!!


14 November, Albufeira

Vandaag vertrekken wij naar Praia de Baleira, marina de Albufeira (37°04N 08°15W). In 2000 zijn de plannen gestart voor een nieuwe haven. De haven staat nog niet in de kaart en wij hebben gehoord dat ie net geopend is en dat aangezien alle faciliteiten nog niet klaar zijn de prijs per dag slechts 8 euro bedraagt. De hele tocht er naar toe hebben we de spi op en we komen voor het donker aan. De haven in bijna helemaal leeg en de 2 havenmedewerkers op de steiger van de marina zijn blij iemand te zien. Marianne legt relaxed de boot aan. Gretig pakken de mannen onze lijnen en snoeren ze direct vast op de bolder. Voordat we in het Portugees-Engels kunnen duidelijk maken dat ze dat niet moeten doen, liggen we met een grote schok stil. Ach, ze zijn erg enthousiast en nog onervaren, dus geen probleem. Eenmaal ingecheckt met de wederom benodigde papieren rompslomp lopen we terug naar de boot. De beide mannen komen al aangesneld met hun bootje. Wij, van geen kwaad bewust maken onze landvasten los. “Nee niet doen” roept een van mannen, “wij helpen u de boot los te maken: dat is onze service!” Weer geen probleem. De Zilver vaart rustig aan. Ineens horen wij de mannen weer roepen en kijken om. In hun enthousiasme om ons te helpen, zijn ze vergeten hun eigen boot vast te leggen en deze drijft gezellig weg van de steiger. Hoppetee, de Zilver in de achteruit en we pikken hun boot op. Even daarna worden we geëscorteerd naar onze box. “Als dat maar goed gaat”, denken we allebei. En ja hoor, daar staan de vriendelijke mannen weer klaar om onze boot vast te leggen. Marianne geeft duidelijke instructies om vooral de lijnen niet vast te leggen voordat we stil liggen. Nou ja, we zullen maar zeggen dat het bijna helemaal goed ging. We bedanken de mannen hartelijk. Ze zijn trots op hun nieuwe haven.

Het is perfect beschut. Waar we met onze boot liggen waren enkele jaren terug nog weilanden! Ze hebben een aantal rotsen laten springen en daarachter een bassin gemaakt, dat ingesloten tussen de bergen ligt. Een van de mannen vertelt ons dat alleen een zuidoosterstorm het water doet wiebelen en dat de noordwesterwind flink door de haven kan waaien, maar dat dat gelukkig nooit tegelijkertijd gebeurt. Hij moet er zelf ook om lachen. We raken aan de praat met de Dizzy, een Van der Stad uit Nederland die we al eerder zijn tegengekomen. Verder is de haven eigenlijk praktisch leeg ook de felgekleurde gebouwen die er omheen staan. Het is een beetje een spookhaven, zo stil is het er. Het dorpje ligt een stukje verderop en is tegen een heuvel aangebouwd. We vinden het eigenlijk wel een beetje sneu voor de mensen die er wonen: voorheen hadden ze een prachtig uitzicht over weilanden en nu wordt hun zicht geblokkeerd door de hoge gekleurde gebouwen. Waarom maken ze dat toch zo? Oké, een groot deel van de bewoners van het dorp zal een graantje meepikken van de toeristen die hier in de haven komen liggen, maar in onze ogen zijn er toch talloze andere en mooiere oplossingen denkbaar. De volgende dag lopen we om de heuvel richting dorp. Het is een leuke wandeling over een weggetje aan de bovenkant van de rotsen. Het dorpje is leuk, met kleine steegjes. De terugweg is spectaculair. Onderweg zijn we Yvonne en Bartek van de Tadorna tegengekomen en we lopen via het strand terug. Het is inmiddels donker geworden en het water rijst. Achter het strand bevinden zich alleen rotsen en op sommige stukken is het strand vanwege het hoogwater al aardig smal geworden en moeten we een paar golven afwachten om droog op het volgende stuk te komen. Als het strand ophoudt moeten we via een paadje in de rotsen verder. Af en toe slaan ook daar golven overheen, dus dezelfde procedure van even wachten en dan rennen geldt. Het wordt een avontuurlijke terugtocht, zeker als we het laatste stukkie via een plank over een kleine klif moeten klauteren. Heerlijk is zoiets: je voelt je als een kind op avontuur!

De volgende ochtend worden we wakker van het gehuil van de wind uit het zuidwesten. De DWD (Deutsche Wetter Dienst, die we op de kortegolfontvanger ontvangen) had ons al gewaarschuwd dat er vandaag hevige regen en windstoten verwacht werden. Dus blijven we lekker in de haven. Voor de Portugese westkust waait het windkracht 11 en veel havens zijn gesloten. Na deze heftige wind is de volgende dag een 33 voet schip gestrand, vlak naast de ingang van de haven. Het ligt vrijwel onbeschadigd op zijn zij. De eigenaar wacht tot de storm over is en probeert dan met hulp van de dorpsbewoners het schip weer vlot te trekken. De volgende avond ligt het schip in onze haven en het lijkt onbeschadigd. Het trieste is echter dat het schip pas twee dagen oud is. De eigenaar was gaan ankeren voor de kust (voordat de storm overtrok) en had niet in de gaten dat het hoog water was tijdens het ankeren. Toen de ebstroom kwam is hij vastgelopen en het strand opgeslagen. Gelukkig is er niemand gewond.


17 November, Olhão

Olhão (uitspraak: Ojaawng) ligt aan dezelfde ingang als Faro en is een vissersdorpje waar het toerisme nog niet echt aanwezig is. Het dorpje ligt 5 mijl landinwaarts. We vertrekken weer te laat uit Albufeira. Het weer is prima, maar we treuzelen te lang: hier even kletsen, daar even kletsen. Maar de zeilen gaan omhoog en we kachelen weer aan. Op zich is het niet erg om wat later te vertrekken: met stroming hoef je amper rekening te houden. Maar het is rond 17.45 donker. En als ik zeg donker, dan bedoel ik donker. En inderdaad: we komen in het donker aan bij de rivieringang en pakken het stroompje mee naar de stad. We moeten erg goed navigeren want het is erg smal en je moet dicht langs de boeien blijven varen. Je kan het een beetje vergelijken met de waddenzee: zandbanken alom. We proberen de lichten op de boeien op te pikken, maar erg duidelijk is het allemaal niet te zien. We turen ons suf, maar het mag niet baten: als we op een rode boei afvaren lopen we recht op een zandbank. Het voorschip komt omhoog en hopla: vast. Gelukkig is het niet erg. De motor wordt in z’n achteruitgezet en we varen rustig terug naar de vorige boei om een nieuwe poging te wagen. Wat blijkt: we waren een boei te ver. Ach ja: voor de 1e keer in 5 maanden vastgelopen, da’s toch niet slecht! We tuffen langzaam tussen de boeien door tot we bij de haven komen. En daar houdt onze kaart op. De haven staat er niet op. We varen tergend langzaam op een grote steiger af, ons vertwijfeld afvragend wat we nu moeten doen. Dan zien we iemand met een zaklamp seinen vanaf de steiger. We dobberen erop af en dan horen we in het Engels geschreeuw dat we binnen 5 meter van de steiger moeten blijven, anders lopen we vast. “Deze haven is vol” schreeuwt de man, “je moet deze steiger helemaal volgen naar de volgende haven verderop en daar is plaats genoeg”. We bedanken de man en varen langs de lange steiger door. Aan het einde zien we een plekkie. Net als we aan willen leggen, staat weer iemand anders ons op te wachten. “Hier kunnen jullie beter niet gaan liggen” zegt hij, “want hier varen de vissersschepen vlak langs”. Vanuit een dingy wordt ook weer geroepen: we moeten nog een stuk doorvaren, richting een groot baggerschip wat er ligt. We draaien weer om en volgen de betonnen steiger nog verder. Het baggerschip heeft grote lampen aan en dat verblindt behoorlijk. We kunnen niet goed zien waar we de haven moeten binnenvaren en we weten ook niet of het baggerschipdirect voor de ingang ligt of dat het varende is. Dus we sukkelen maar wat door en zien dan eindelijk een opening in de steiger. Het baggerschip ligt stil en we draaien er vlakvoor langs de haven in. Als we aanleggen aan de binnenzijde van de steiger staat er weer iemand. Hier kunnen we beter ook niet gaan liggen, want het baggerschip draait hier telkens met z’n kont de haven in. Na nog wat geharrewar schuiven we ons schip zover mogelijk naar voren en leggen vast. Wat een toestand zo in het pikkedonker met al die roepende mensen! Maar wel fijn dat iedereen ons geholpen heeft, want deze haven heeft geen havenmeester om je de weg te wijzen. Het is een haven in aanbouw. De steiger zijn klaar, maar er is geen elektra en geen water op de steigers en daarom mag je er gratis liggen. Bovendien is er geen vaste verbinding naar de wal: je moet met de dingy naar het eerste haventje varen en van daaruit kan je het stadje in. De volgende dag zien we dat de meeste schepen er waarschijnlijk al maanden liggen en dat wordt later ook bevestigd. Weer knijpt onze maag samen: op een boot wonen is leuk, maar om zo maandenlang aan dezelfde steiger vastgeknoopt te liggen dat trekt ons echt niet! De volgende dagen is Marianne weer geveld door migraine. Bartek probeert met accupunctuur te helpen, maar het mag helaas niet baten. Paul gaat mee op pad met de ouders van Yvonne, die hier vlakbij een appartement hebben gehuurd en over een auto beschikken. Ze bezoeken een prachtig strand waar je nog schelpen kan vinden van 20 à 30 cm groot. Paul passeert een begraafplaats van een oud tonijnnet, tientallen ankers van wel 2 meter groot en een immense staalkabel die alle triest half onder het witte zand liggen begraven. De avond wordt afgesloten met een heerlijk visje in de pan en dan op een draf terug naar zieke Marianne. Als na 3 dagen Marianne weer is opgeknapt gaan we het stadje verkennen. We varen met de Zilvervloot door het andere haventje en zien daar vreemde dieren in het water. Het lijkt een soort slakken, maar dan van een centimeter of 20-30 lang met ‘vleugels’ waarmee ze zwemmen. Ze zijn heel donkerbruin en zwart. We komen er niet achter wat voor beesten het zijn en ook het antwoord van een Portugese visser brengt geen uitkomst en wel omdat de man Portugees sprak. Het stadje is gezellig met weer veel kleine steegjes. Wat we steeds maar niet begrijpen is dat de prachtige huizen die er staan niet meer onderhouden worden. We zien de ene ruïne na de andere en het trieste is dat er soms nog mensen in wonen. Het lijkt of de Portugese regering alleen in nieuwbouw investeert en niet in de historische architectuur van het land. Zonde! We krijgen ook hoe langer hoe meer in de gaten dat er veel armoede in Portugal is: in dit soort stadjes moet een groot deel van de bevolking het hebben van de visvangst en dat is niet altijd vetpot. De grote jachthavens en de prestigieuze bouwprojecten zijn er waarschijnlijk alleen voor de buitenlanders en dat geeft ons soms toch een onbehaaglijk gevoel: liggen wij hier met ons grote schip. Het zoethoudertje voor ons gemoed is dan dat wij de lokale middenstand en de horeca wat geld kunnen laten verdienen aan ons, maar echt eerlijk is dat natuurlijk niet. We blijven enkele dagen liggen en krijgen wat flinke regen- en onweersbuien over ons heen. Ons schip is niet helemaal waterdicht en bij een flinke bui staan er links en rechts wat bakjes om de druppels op te vangen. Als Paul ’s ochtends de computer wil aanzetten lukt dat niet. Tot onze grote schrik en ontzetting zien we dat in het raam erboven een nieuw lek is ontstaan: onze computer is kleddernat! Langzaam dringt de ernst van de situatie tot ons door. Al onze foto’s, onze internetverhalen, alles van onze reis zit in de computer! Eind september hebben we met dank aan de Poco Andante voor het laatst een CD gebrand als back-up van onze bestanden, maar omdat we zelf niet over een CD-brander beschikken is er daarna nooit meer een back-up gemaakt. Wat nu? Paul begint als een gek de computer te demonteren en legt de delen te drogen. Marianne gaat er met een föhn op los en zo proberen we het apparaat weer draaiende te krijgen, maar er gebeurt niets. Bartek komt langs met zijn computer, hij peutert onze harde schijf in zijn computer en dan gebeurt er een klein technisch wonder: onze harde schijf is nog geheel intact en Bartek kan zonder problemen een kopie maken van al onze gegevens die hij direct op een CD brandt. Opgelucht halen we adem: leve Bartek en zijn computer! Onze bestanden zijn gered. We moeten nu alleen op zoek naar een nieuwe computer. De dag erop gaat Paul naarstig door met het drogen van de onderdelen van de computer en de dag daarop geschiedt een tweede technisch wonder: de computer doet het weer! Leve Paul en zijn volhardendheid! We willen nu wel met spoed een CD-brander aanschaffen, zodat we regelmatig back-ups kunnen gaan maken. Als we de volgende dag een lift kunnen krijgen van de ouders van Yvonne naar een groot winkelcentrum in Faro, zeggen we ook geen nee. Bartek past op Meis, wij hebben een heerlijk dagje uit en we vinden in een grote computerzaak een goede CD-brander voor een aangename prijs. Ons pakken ze niet meer! Terug moeten we met de bus. We weten niet waar en staan bij een bushalte waarvan we niet zeker zijn of het de goeie is. Een wat slonzig uitziende donkere man komt aangeslenterd en we vragen het hem. Hij spreekt Frans en stuurt ons naar de overkant van een drukke 4-baansweg. Als we daar staan te wachten, komt ie ineens weer naar ons toegeslenterd (en da’s echt een end omdat je via een zebrapad moet oversteken) en legt ons nog eens uit welke bus we moeten nemen en waar die naartoe gaat. We zijn verbaasd over zijn aardigheid: de man moet weer helemaal terug naar de overkant en voor hetzelfde geld mist hij z’n bus. We bedanken hem hartelijk en later blijkt dat hij het allemaal perfect heeft uitgelegd. Op onze boot teruggekomen genieten we weer van het uitzicht dat we daar hebben. Bij laagwater komen grote groene zandbanken tevoorschijn, waarop de lokale bevolking eetbare schelpen gaat zoeken: een prachtig gezicht. Meestentijds zijn ze ook goedgeluimd en roepen ze grapjes naar elkaar (denken we, want we verstaan d’r natuurlijk niks van) of ze zingen uit volle borst. We hebben hier weer een prachtig plekje gevonden, maar na een week willen we toch verder. Er zijn nog zoveel mooie plekjes te verkennen!


SPANJE

28 november, Ayamonte

Als we ’s ochtends de haven uitvaren en ons de weg terugbanen tussen de boeien en de zandbanken door, kunnen we nu bij daglicht volop genieten van al het moois dat aan onze ogen voorbijtrekt. Vrolijke vissers in vrolijkgekleurde bootjes die vrolijk zwaaien als we passeren, de groene zandbanken met de schelpenrapende mensjes en op 1 zandbank zelfs een heusche ooievaar, eilandjes met gezellige witte huissies en onder ons het heldere water dat ons vandaag naar Spanje gaat voeren. We gaan naar de Rio Guardiana, de rivier die Spanje en Portugal aan de zuidzijde scheidt. Horlogetechnisch gezien gaan we een gecompliceerde tijd tegemoet: in Spanje moeten we de klok 1 uur vooruit zetten, daarna volgt Gibraltar waar we weer 1 uur achteruit gaan, dan gaan we weer naar Spanje (Middellandse Zeegedeelte): klok weer vooruit. Ach, een jetlag zullen we d’r niet aan overhouden.


De wind laat het ondanks de goede voorspellingen weer eens afweten, dus we motoren rustig met de stroming mee. Onderweg zien we een enorm tonijnnet langs de kust liggen. Nu weten we wat ze bedoelen met de waarschuwingen in de pilots: grote gele boeien markeren een gebied van ruim een kilometer lang. Sommige van deze netten blijven ‘s winters ook liggen en aan de uiteinden liggen ankers van maar liefst 300 kilo. Fijn uit de buurt blijven dus! Tegen de avond arriveren we in de rivier, de Rio Guardiana. Je ziet op het water precies waar de rivier begint: het blauwe water verandert in 1 rechte lijn in het bruine water van de rivier. Het lijkt net of je op een zandbank loopt, maar de dieptemeter stelt ons gerust. Vol goeie moed tuffen we de Spaanse kant op: het Portugese gastenvlaggetje is al gewisseld voor het Spaanse. Ineens horen we vanuit de haven aan de Portugese kant roepen. Bij nadere inspectie blijkt het de Dizzy te zijn die ons roept. We varen langzaam hun richting op en ze vertellen ons dat de Spaanse haven van Ayamonte vol is. Tja, dan blijven we nog maar een nachtje in Portugal en het Spaanse vlaggetje wordt weer snel naar beneden getrokken. In de Portugese haven is plaats genoeg en de havenmeester helpt ons aanleggen. We liggen aan een lange steiger, parallel aan de rivier: prachtig, wat een uitzicht! De naam van het dorpje waar we liggen is groter dan het plaatsje zelf: Villa Real de Santo Antonio. We drinken een borrel bij de Dizzy en tot onze grote verbazing arriveert ook de Tadorna nog. De volgende dag gaan we het plaatsje verkennen en de lokale specialiteit is hier textiel. Winkel na winkel verkoopt handdoeken, lakens, dekens en schorten. Wat dat laatste betreft: in heel Spanje treft je speciaalzaken in schorten aan. En pantoffels ook. Volgens ons zijn de Spanjaarden toch wel echt huiselijke lieden. De volgende dag is de verjaardag van Yvonne, dus op het moment datBartek en Yvonne het dorpje ingaan, storten wij de Tadorna vol met opgeblazen ballonnen (kostte ons ongeveer 1 uur om ze met de pomp op te blazen). Zullen ze vast leuk vinden. Nadat Yvonne ons bedankt heeft voor het cadeautje en Meis alle ballonnen vakkundig heeft weggewerkt, gaan we met de veerboot de rivier over naar Spanje. Een mens moet toch wat. We wandelen wat rond in het Spaanse stadje en zijn blij dat we nu weer af en toe wat van de taal kunnen verstaan. Portugees zullen we wel nooit leren. Dus: tijd om toch maar eens door te varen naar de volgende Spaanse haven.


3 december, Mazagon

Tuurlijk weer geen wind. Eenmaal uit de rivier lijkt het alsof er voor ons weer land ligt: in de verte zien we van alles en nog wat liggen. Maar dat kan toch helemaal niet. En dat blijkt ook: we varen gewoon recht op een veld vol visservlaggen af. Het zijn er misschien wel honderd. We hebben de motor aan en laten ons door de stroming meenemen. Er staat geen wind en Paul heeft z’n visplankje uitgegooid, in de hoop weer eens een avondmaaltje bij elkaar te hengelen. Als we het veld vlaggetjes eindelijk achter ons hebben gelaten, lijkt het of we beet hebben. Vol blijde verwachting trekt Paul en snoer naar binnen en ……. dan blijkt dat het hele vissertuig van de lijn af te zijn. Wel potjandorie, dat is natuurlijk achter een van de vele vlaggetjes blijven hangen. Geen vis vanavond. Halverwege de tocht komt er een kleine briesje opzetten, recht van achteren. Hop, spinnaker in top. Maar het is niet veel, we sukkelen wat vooruit. Tot overmaat van ramp begint het ook nog te regenen en dan is de wind weer weg. De spinnaker is kliedernat en teleurgesteld proppen we ‘m in de zak. We arriveren in het donker en kruipen vroeg in bed. De dagen erop laat het weer zich van z’n slechtste kant zien: regen, regen en nog eens regen en natuurlijk vergezeld van flinke wind. Tussen de buien, maar ook in de buien maken we flinke wandelingen. Het stadje doet triest aan: waarschijnlijk zijn alle woningen hier door buitenlanders opgekocht, want overal zijn de luiken gesloten. Het lijkt wel een spookdorp en het maakt je ook echt een beetje triest. Het strand aan de andere zijde is echter prachtig, vooral in flinke regenbuien. Dan heb je het hele strand voor jezelf, heerlijk! Meis krijgt haar portie water en zand binnen en wij waaien weer eens lekker uit. Als we de volgende dag in het dorp boodschappen hebben gedaan, gaan we samen met de Tadorna en de Dizzy in een rasechte blokhut koffie drinken. We krijgen er helemaal het wintersportgevoel over ons! Hans en Anja van de Dizzy vertellen ons dat er vlakbij, bij Granada, een geweldig wintersportgebied ligt en dat zij in elk geval gaan skieen. Wij hebben het er al vaker over gehad, ook met Bartek en Yvonne en zo wordt er afgesproken dat we in januari met z’n allen gaan skieen. Yes! Wel apart om zo’n afspraak onder de wuivende palmbomen te maken! Op de terugweg naar de boot zien we ineens iets over het pad rennen. Met afgrijzen moeten we vaststellen dat het een kakkerlak is. Jakkie. Toch maken we d’r maar even een foto van en het beest is nog fotogeniek ook. Als na enkele dagen de buien en stormen voorbij zijn, wordt het boeltje weer ingepakt voor de volgende tocht. Een leuke melding daarbij is het bericht dat we ’s ochtends op de navtex binnenkrijgen: er liggen militaire schepen in de Straat van Gibraltar en we citeren het laatste stuk van de melding: any vessel  approaching a military vessel without  establishing communication may be considered as having potentially hostile intentions. Nothing in this navigational warning is intended to interfere with the freedom of navigation. En dan in goed Nederlands: als je niet oppast krijg je een torpedo in je achterste!



7 december, Chipiona

Het is toch ook altijd alles of niks met de wind. Nu weer niks dus. Motor aan. Bah. We willen zeilen. Eigenlijk was ons doel vandaag Cadiz, maar vanwege de tegenvallende wind lopen we Chipiona aan. Dit plaatsje ligt aan het begin van de rivier die naar Seville loopt (je weet wel, van die barbier). Seville schijnt een prachtige plaats te zijn, die wij bewaren voor de terugtocht. We moeten nu een beetje voortmaken om op 21 december in de buurt van Malaga te zijn, waar onze vrienden Paula en Gijs met het vliegtuig naar toe komen om een weekje met ons mee te zeilen. Chipiona dus. Onderweg blijkt dat de golven de storm nog niet helemaal vergeten zijn en we schudden gedurende de hele tocht op en neer als een stel overjarige op hol geslagen koeienuiers. Achter ons zien we heel in de verte een mastje en we vragen ons af of dat de Dizzy of de Akane is. Boven ons bolletje schijnt de zon en de temperatuur is bijzonder aangenaam. Rechts van ons zien we donkere wolken samenpakken, maar telkens als we onze regenpakken tevoorschijn willen halen, zien we dat de bui achter ons langs gaat. Het schip achter ons krijgt constant de volle lading: ze verdwijnen in de donkere wolken en zijn dan gedurende een half uur uit het zicht. Wij lachen in ons vuistje: we zijn vandaag zondagskinderen: de buien hebben respect voor onze korte broek. Maar nadat dit zo’n 4 keer is gebeurd en in het zicht van de haven krijgen we onze straf en de korte broek wordt ingeruild voor het regenpak. Hadden we maar niet moeten lachen. De formaliteitendame in de haven is er een van het type slow-motion. We krijgen er bijna de slappe lach van. Zelfs de douanebeambte treft af en toe een van pijn verwrongen gezicht als hij ziet hoe ze op d’r elfendertigste staat te stuntelen. Maar eindelijk krijgen we dan een plaatsje aangewezen en kijk eens aan: het zonnetje piept tevoorschijn. De Dizzy zat achter ons en zij zijn inmiddels ook gearriveerd, dus we drinken samen een borrel op het zonneterras van de haven. Zij hebben inderdaad alle buien over zich heen gekregen en alle vier zijn we blij dat we weer vaste grond onder de voeten hebben na al dat geschommel. De haven beschikt over een uitstekende wasmachine (is bijna zeldzaam in Spanje) en de volgende dag maken we daar gretig gebruik van. ’s Avonds eten we samen met de Dizzy de lekkerste tapas van Spanje in een onooglijk restaurantje en duiken pas laat (of vroeg) ons bed in. Het is heerlijk om met Hans en Anja te kletsen: behalve dat het ontzettend gezellige mensen zijn, kunnen we nu weer eens in onze moers taal praten: met de Tadorna praten we altijd Engels en met de Akane Duits en af en toe weet je gewoon niet meer uit je woorden te komen. De volgende dag raast de volgende storm over ons heen en als ook deze weer geluwd is, vertrekken we naar Cadiz.


11 december, Cadiz

Een lekker klein tochtje vandaag. Korte broek aan, spinnaker op en gaan met die banaan. Wat kan het weer hier toch varieren! We zeilen op een sukkeldraf Cadiz binnen en leggen de boot in Marina Puerto America. Ja, lekkere mond vol. De haven ligt aan de buitenkant van Cadiz, maar de wandeling naar de stad toe is prachtig via een brede wandelpromenade langs het strand. En dan Cadiz zelf: een hoge vermelding in de mooie-steden-top-10! Een prachtige oude universiteitsstad met een geweldige relaxte sfeer. We genieten met volle teugen van de oude gebouwen en het enorme winkelgedeelte. We zijn de volgende dag samen met de Tadorna op pad gegaan en strijken neer op een zonnig terrasje. De vrouw die ons bedient is erg aardig en spreekt heel goed Frans. Het restaurantje heet dan ook La Poem. Kan ook niet anders blijkt later, want ze is Francaise. We raken wat met haar aan de praat en ook haar moeder komt een praatje maken. Zij logeert momenteel bij haar zoon en schoondochter. Ze is oorspronkelijk Italiaanse en woont nu in Luxemburg. Er wordt Spaans, Frans en Duits gebrabbeld en we hebben het erg naar ons zin. Het blijkt dat de eigenaar en zijn vrouw ook 3 jaar lang hebben gezeild en nu zijn ze neergestreken in Cadiz waar ze het restaurantje hebben geopend. Vader is banketbakker en helpt in de keuken en moeder komt zo nu en dan over om haar kleinkind te zien. Als we weg willen gaan en onze hoofden nog even binnen de deur steken om te bedanken roept de vrouw ons binnen en begint 4 gebakjes in de pakken. Ondanks onze protesten moeten we ze meenemen onder het motto: we krijgen niet elke dag zeilers over de vloer. Dit is toch wel weer heel bijzonder! We slenteren weer de stad door en worden weer getroffen door het prachtige karakter van de stad. De honderden winkels en winkeltjes in de gezellige smalle straatjes geven ons toch een beetje het Kerstgevoel. Met tegenzin gaan we ’s avonds naar de boot terug. We hadden nog wel uren kunnen ronddolen.


13 december, Barbate

We moeten echt richting oost om op tijd bij Malaga te zijn, dus vertrekken maar weer. Onderweg komt de wind de ene keer van voor en dan weer van achter. Onze hele zeilgarderobe wordt aangesproken: een tijdje genua te samen met het kotterzeil, dan verandert de wind weer en gaat het spinnaker omhoog, dan valt de wing weg en moeten we de motor aanzetten en dan komt de wind voorlijk en gaat de genua weer uit. Een dagje werken dus eigenlijk, maar het brengt ons wel in Barbate. De haven ligt een beetje buiten het centrum, maar vlak naast de haven is een groot strand. Moet je wel eerst een eind voor omlopen of met de hond een muur overklimmen, maar dan heb je een schitterend uitzicht