22-06   05-07   23-07   22-08   24-09   08-10   18-12   07-02-2004   22-02   02-05   10-05   WEER THUIS  

7 februari, Ceuta

Vandaag is het weer eens tijd om afscheid te nemen van Estepona en van Joke en Han van SY Honor. Als we de havenrekening gaan betalen krijgen we van de vrolijke dame achter de receptie bakhshish mee als ze hoort dat we naar Marokko gaan. In Marokko wordt bakhshish gebruikt om mensen te bedanken en om zaken te bespoedigen. Het kunnen bijvoorbeeld sigaretten, aanstekers of balpennen zijn. We hebben zelf ook al een aantal kleine dingen aangeschaft in Chinese bazaars. Marianne heeft per vergissing (toen de smoke-nood hoog was) een totaal verkeerde, voor haar viessmakende slof sigaretten aangeschaft en die wordt nu natuurlijk ook ingezet. De volgende keer als we weer zo’n reis ondernemen, nemen we voetbalrommel mee, zoals plaatjes van bekende Nederlandse voetballers. Veel mensen houden van voetballen en kennen bijna alle Nederlandse voetbalspelers uit hun hoofd: ze ratelen ze sneller op dan de namen van hun kinderen en echtgenote. Volgens ons kan je ze daar erg blij mee maken.

We worden enthousiast uitgezwaaid door Joke en Han. Rond 11.00 uur laten we de haven achter ons en we motoren rustig naar Ceuta om onze brandstoftank te vullen. We hebben gehoord dat brandstof in Marokko erg duur is en moeilijk is te verkrijgen, zeker in de kleine vissershaventjes waar wij naar toe willen. Marianne schiet het mooiste filmpje van de altijd vrolijke dolfijnen en in de verte zien we ze meters hoog springen in de boeggolf van een groot zeeschip (helaas is dat filmpje jammerlijk mislukt). Paul heeft ondertussen natuurlijk zijn vislijntje weer uitgegooid (doet ie al maanden (zonder enig resultaat maar dat mag de pret niet drukken)) en tatatataaatataaaaaah (trompetgeschal) rond 15.00 uur heeft Paul beet! Jawel, er wordt stevig aan zijn zeemolen getrokken, de lijn schiet naar achteren en Paul slaakt triomfantelijke kreten. Met het aas dat aan de lijn hangt, een flinke rubberen octopus van zo’n 10 centimeter, moet hij wel een knoeperd binnenhalen. We krijgen direct visioenen van een heerlijk sissende sappige tonijnsteak in de pan, lekker bereid met de juiste kruiden (niet te veel da’s zonde), die nét nog roze van het vuur wordt gehaald om dan sappig en zacht op onze bordjes te landen en daar geflankeerd wordt door een lekker knapperig worteltje en een toefje aardappelpuree en als wij ons mes in de steak zetten, glijdt dat er soepel en zonder weerstand doorheen, terwijl het sap van de steak satijnachtig naar buiten vloeit en………. ai, man o man o man, dit doet pijn, wat een misser: de vis heeft niet doorgebeten. Dus Paul haalt uiteindelijk alleen zijn rubberen octopus (die er overigens zeer disco uitziet omdat ie met glitters en glimmers is versierd) naar binnen. We kunnen daar natuurlijk ook op kauwen, maar nadat Paul zijn traantjes heeft gedroogd besluiten we uiteindelijk dan toch maar de tonijnpizza die we nog in de koeling hebben liggen soldaat te maken, ook lekker. Rond 16.00 uur lopen we de haven van Ceuta binnen en meren af. Op de navtex komt een bericht binnen dat er in de gebieden Alboran en Estrecho (de Straat van Gibraltar) morgen flinke wind uit het oosten wordt verwacht omdat een klein lagedrukgebied vanuit Italië zich bemoeit met ons hoogdrukgebied. Dat zou jammer zijn, want dat betekent dat wij zeker een dag verwaaid liggen en we hebben zo zin om naar Marokko te gaan. Het enige dat de pret een klein beetje vergroot is dat je in 2004 in Ceuta een eenmalige belastingtoeslag moet betalen van 44 euro. De eerste dag moeten we 44+10 euro liggeld betalen, wat niet misselijk is in het winterseizoen, Maar voor de tweede dag hoeven we alleen maar 10 euro te betalen. En een klein rekensommetje geeft weer dat het gemiddelde dagtarief met sprongen naar beneden gaat als we langer blijven. Paul vraagt zich af of we, als we langer blijven liggen geld terug krijgen van de ambtenaren, maar Marianne verzekert hem dat dat zeker niet zal gebeuren, jammmmmmer.

De volgende dag worden we rond 10 uur wakker er de hemel is gevuld met grauwe grijze wolken. Als we met de hond gaan wandelen lopen we even langs het havenkantoor. De havenmeester (politieman in dit geval) zegt uit dat het vandaag en morgen hard gaat waaien uit het oosten. Deze wind nabij de Straat van Gibraltar heet de levanter, en wordt solano genoemd wanneer hij met neerslag gepaard gaat. Voorlopig zijn we hier dus nog niet weg. We maken een straffe wandeling van 3 uur om Ceuta heen uur en berekenen dat we ongeveer 10 kilometer hebben gelopen. Dat vraagt om een feestje en we trakteren onszelf op een BIG MAC Menu van onze Amerikaanse clown, jazeker ook hier staat er een. Echter, het zonnestalende poppige bedienstertje is met haar verkeerde been uit bed gestapt. Knorrig en volledig overgoten van hetzelfde weerdek als buiten helpt ze Paul. Als we verwoed aanvallen op het Amerikaanse eten, dat we toch al 7 maanden hebben moeten ontberen, blijkt het allemaal bijna koud te zijn, lauw kan je niet eens meer zeggen. De MacDonalds cursussen klantvriendelijkheid en productkwaliteit zijn in Ceuta blijkbaar niet zo goed overgekomen. Zo dat was weer een inspannende dag. De volgende drie dagen liggen we verwaaid. Dit gooit roet in ons eten, want we willen naar Marokko met de Zilver. Oja, toch nog even wat inspanning. Aan dezelfde steiger als waar wij liggen, ligt een stoer Engels stalen zeilschip. Als we langslopen om met Meis te gaan wandelen zien we de man met zeilbroek aan de trossen losgooien. Dat zal toch niet waar zijn: buiten waait de stront van de dijken en alle schapen vliegen er achteraan. Voorzichtig zeggen we hem dat er windkracht 9 is voorspeld met gigantische golven in de Straat en dat de Marokkaanse haven Smir (waar hij naartoe wil) niet of nauwelijks aan te lopen is met deze sterke oostenwind. Maar hij wil het toch proberen en wij bieden aan een handje te helpen met het afduwen van de boot (een langkieler: oeps). Langzaam gaat hij achteruit. Dan overmeestert de sterke zijwind zijn boot en hij wordt binnen 1 minuut dwars in de haven geworpen. Zijn schroef komt in de meerlijn van een grote motorboot en de twee voorstevens knallen tegen elkander. Paul springt als een jonge god (jullie mogen raden wie dit geschreven heeft) op de motorboot om de twee hevig knuffelende boten uit elkander te houden. Tijdens de daaropvolgende windstoten, die echt niet gering zijn, wordt de boot nog meer zijwaarts tegen andere schepen aan geduwd. Binnen no-time staat de steiger vol met havenpersoneel en politiemannen, die met z’n allen beginnen mee te sjorren en te trekken om de schade zoveel mogelijk te beperken. Het wordt waarlijk een gezellige bedoening, een soort happening. Terwijl de Engelsman niets anders rest om in dit rotweer overboord te springen en de lijn uit zijn schroef te trekken, helpt het havenpersoneel om de boot die als een botswagentje heen en weer slingert (er staan een flinke golfslag in de haven) mee af te houden. De lijn is los maar de achteruit van de boot is kapot, dat is stevig balen. We brengen met man en macht de boot weer terug in de box, waaruit ie een uur eerder vertrokken was. Flinke tocht gemaakt, zullen we maar zeggen. Eenmaal weer vast in de box, bedankt de eigenaar van de boot iedereen voor de hulp en duikt nu in zijn machinekamer. Tja, een boot is niet altijd vakantiegevoel. In de nacht begint de golfslag van de storm de haven binnen te lopen. Link en rechts (voor de schippers; bakboord en stuurboord) is iedereen druk bezig de boten te zekeren. Voor alle zekerheid maken wij onze eigengemaakte schokdempers (handleiding: men neme 4 flinke stukken van een doormidden gesneden tractorband, men legge deze in elkaar en men make aan beide uiteinden een lus van een stevig stuk lijn) vast aan onze springen en de Zilver maakt geen harde schokken meer. Ze werken supergoed.

Echter, de golfslag wordt behoorlijk heftig en we liggen aan de buitenkant van een iets te klein steigertje, dus we slapen niet erg veel deze nacht. In de ochtend waait het inmiddels wat minder, een kleine 7. Als we uit onze boot stappen zien we een behoorlijke scheur in de vingersteiger waar we aanliggen: het heeft het geweld van de nacht niet doorstaan. We verkassen naar een andere box. Phil (onze Engelsman zonder achteruit) komt vertellen dat het euvel in deze haven niet gerepareerd kan worden en dat hij naar Smir gaat. Ach, zo stelt hij ons gerust, hij gebruikt zijn achteruit eigenlijk zelden, dus heel erg vindt hij het niet. We eten met zijn allen een ontbijtje en babbelen wat. Hij heeft in de Med voor zeer weinig geld een 9 meter stalen knikspant gekocht. Deze boot heeft ie afgelopen zomer verftechnisch helemaal gestript en weer een fris kleurtje gegeven. Hij hoopt de boot in Engeland met flinke winst te kunnen verkopen en er zo een leuk zakcentje aan over te houden. Ben je toch weer een jaar onder de pannen!


12 februari, Smir

De zee is weer tot rust gekomen en we varen rond 2 uur uit om zo met de stroom mee om Ceuta te komen. Er staat een zachte bries en rustig zeilen we richting Smir. Onderweg hijsen we de Marokkaanse gastenvlag: ons Afrikaanse avontuur kan beginnen! Rond 17.00 uur lopen we de haven binnen die het beste omschreven kan worden als: immens groot en immens leeg. We worden bijzonder hartelijk ontvangen, zowel bij het aanleggen als bij de receptie. Vriendelijk worden we te woord gestaan in het Frans en Engels. “Zoek maar een mooi plekje uit”; zegt de dame van de receptie. “Maar eerst even een stempeltje halen bij de douane en de politie”. We lopen naar het douanekantoor. Serieuze mannen. Serieuze uniformen. Serieuze vragen. “Hebben jullie wapens aan boord?” (“Uh, nou nee, alleen wat klein spul, een bazooka en een pistooltje of acht en ja, we dachten laten we ook nog wat napalm en wat van dat lange-afstands-spul meenemen”). Nee, deze grapjes maken we gelukkig niet. We moeten onze paspoorten achterlaten en na een half uur terugkomen. Ondertussen verleggen we onze boot en dan wandelen we weer terug. Nog meer serieuze mannen. Nog meer serieuze uniformen. Nog meer serieuze vragen. “Jullie zijn al in Marokko geweest?”. Ja dat klopt, met onze vrienden in december. “Hoe zijn jullie de grens overgestoken?” Te voet en we vonden Marokko eigelijk zo leuk dat we nog eens wilden komen kijken. Maar zijn er problemen of zo? “Ja, er is een probleem” en tot onze opluchting begint de man ineens te lachen: “maar dat is niet jullie probleem, maar een probleem voor de politie”. (Wij denken dat het probleem bestaat uit het feit dat we in hele korte tijd achter elkaar op 2 verschillende manieren de grens zijn gepasseerd en dat ze nu een beetje confuus zijn over welke stempels ze nog in ons paspoort erbij kunnen zetten). Of we de paspoorten toch nog even achter willen laten, dan komen zij ze wel weer terugbrengen op de boot. Rond 22.00 wordt er op de boot geklopt. De politie of de douane? Nee hoor, gewoon een voorbijganger die onze paspoorten even moest afleveren. Leve Marokko! De volgende dag kunnen we het haventerrein eens goed bekijken. Het ziet er prachtig uit, maar meer Saoedi-Arabisch dan Marokkaans. In ons pilotboek vinden we later hoe dat komt: de haven is gebouwd door een Roemeens bedrijf in ruil voor fosfaten en met Saudische financiering voor de hotels en appartementen rondom de haven. Tja, openbare aanbesteding heet dat. We lopen over een prachtig strand richting het dichtstbijzijnde stadje M’Diq. Het strand is bezaaid met prachtige schelpen en Marianne graait als een dolleman binnen een mum van tijd de bodem van de rugzak vol.

De wandeling duur ongeveer 2,5 uur (totaal 10 kilometer waarvan ene 5 over het strand en de andere 5 langs de grote weg). De ontelbare Mercedessen met een kleine aanvulling Franse auto’s racen lang ons alsof ze Nikky Lauda (alias Dove Niek) zelf zijn. En toeteren te pas en te onpas, Frankrijk is er niets bij. Halverwege ligt het sporthaventje Kabila, omringt door een vakantiecomplex met op de achtergrond de prachtige berg van Jebel Zem Zem. We willen daar een nachtje doorbrengen, maar als we erlangs lopen zien we slechts één zeilboot liggen en we zien dat de haveningang wel heel dicht tegen het strand aanligt. We vragen ons af hoe diep het daar is. In de gids staat 2,5 meter, maar bij navraag in het havenkantoor blijkt de diepte van de ingang 1,5 tot 2 meter te zijn. Een groot aantal van de kleinere havens slipt in de winter dicht en wordt pas in het seizoen uitgegraven. Of als niemand van de lokale bevolking er last van heeft dan wordt er niets gedaan. Gelukkig maar dat we d’r op deze manier achterkomen. Stel je voor dat we met een oostenwind er naartoe waren gevaren: de golven bouwen zich dan voor de havenmond op en je loopt vast terwijl de golven je naar het strand proberen te duwen. Overigens zijn de mensen van Smir erg behulpzaam en is het raadzaam om bij twijfel hen met de volgende haven van bestemming te laten bellen. Onderweg komen we natuurlijk weer de weilanden met kamelen tegen. Geweldig wat een leuk gezicht. We zien ooievaars en ook de Marokkaanse schapen (dunne schaapjes met lange oren) ontbreken niet aan het plaatje. Eenmaal M’Diq aangekomen worden we wel een beetje bekeken door de voetballende jeugd. We weten niet of wij het zijn of de hond die aangelijnd is, of allebei. We hebben dorst en honger gekregen van de straffe wandeling en zoeken een cafeetje uit. We vragen om thee en om eten. Er staat voor vandaag alleen maar brood met jam op de menukaart. We hebben eigenlijk meer zin in een broodje kebab, maar het smaakt toch heerlijk. Even later komen we de andere toerist tegen, Phil-zonder-achteruit. Met zijn drieen lopen wij het stadje door. Er is een groot contrast tussen rijk en arm, eigenlijk meer tussen héél arm en rijk. Er is een klein marktje in de stad, waar we voor 10 Dirham 2 kilo overheerlijke sinasappelen en voor 2 Dirham een groot brood kopen (omgerekend samen 1 euro en twintig cents). Alles is zo verschrikkelijk goedkoop dat we ons een beetje ongemakkelijk voelen. Als we tegen ‘sluitingstijd’ garnalen willen kopen willen ze ineens 12 euro voor 1 kilo vangen. Nou, die vlieger gaat niet op, maar we merken wel dat ineens de hele straat zich met ons wil gaan bemoeien. We besluiten maar naar de taxiplaats te lopen en een taxi terug te nemen. Taxi’s genoeg en we beginnen te onderhandelen over de prijs. Die valt nogal mee: omgerekend 3 euro om ons terug te brengen naar de haven. Da’s voor niks vinden wij. Maar dan zegt de man dat Meis in de kofferbak moet. Ja zeg, dat doen we dus echt niet. De man lacht als wij zeggen dat we dan wel gaan lopen. Maar we draaien ons om en beginnen te voet aan de terugtocht: dit keer bewapend met 2 kilo sinasappelen, een halve tas vol schelpen, brood en Marokkaanse gebakjes die we nog hebben weten te bemachtigen. Phil-zonder-achteruit is solidair en loopt met ons mee. De terugtocht is zwaar, echt waar. Het eerste deel moet Meis constant aangelijnd lopen, omdat het naast de drukke weg is. Het tweede deel kan Meis lekker over het strand rennen, maar moeten wij – soms tot onze enkels in het zand wegzakkend – ons de weg naar de haven terugbanen. We doen er zo’n 2,5 uur over. ’s Avonds pakken we ons pilotboek erbij. Want we zijn enigszins ‘geschrokken’ van de haveningang van Kabila. De pilot is in deze dus niet betrouwbaar. De volgende haven El Jebha ligt ruim 40 mijl verderop en Al Hoceima nog eens 40 mijl verderop. Da’s toch allemaal goed te doen in twee tochtjes. We bekijken de foto van El Jebha in de pilot nog eens goed: het is een héél klein haventje, met hele kleine vissersbootjes (type roeiboot) maar volgens de pilot kunnen we erin als we willen. Als we willen. Want Marianne is niet zeker meer of ze nog wel wil. Ze is erg geschrokken van de armoede die we vandaag hebben gezien en in de pilot staat dat El Jebha een arm plaatsje is. Moeten wij daar dan met onze – voor hun begrippen enorme – boot naar binnen varen? Marianne voelt zich er niet zo prettig bij. In de pilot staat verder dat de lokale bevolking voornamelijk leeft van de productie van ‘kif’. Dat hadden we al eerder gelezen, maar we konden nergens vinden wat kif dan wel is. We zoeken het op in het Arabisch woordenboek en daar staat het. Kif: marihuana oftewel hasjiesj. Oeps. Nu slaan bij Paul ook de twijfels toe. Moeten we dat voor de paar dagen die we in Marokko willen spenderen wel doen? De combinatie van die drie factoren (armoede, kif en weinig tijd) doen ons besluiten niet verder met de boot in Marokko af te zakken, maar met een taxi met gids nog een stukje Marokko te gaan verkennen. Als het er met de tijd nog inzit, kunnen we aan de Atlantische kant nog naar Tanger oversteken. Dat is een grote haven en dat geeft in elk geval Marianne een beter gevoel. Op het havenkantoor is een uitstapje met gids snel geregeld. Phil-zonder-achteruit wil ook graag mee en de tocht zal ons de volgende dag leiden naar Chefchaoun, een bijzonder plaatsje tachtig kilometer verderop dat hoog in de bergen ligt. Marianne raakt ondertussen niet uitgevraagd aan de twee dames bij de receptie. Hoe is het leven in Marokko en dan natuurlijk speciaal voor vrouwen? Op alle vragen krijgt ze antwoord en zo probeert ze een beeld te krijgen van het leven in deze andere wereld. De mannen (Phil-zonder-achteruit en Paul bevinden zich in het clubhuis, want vanmiddag wordt de finale van de Afrika-cup voetballen gespeeld: Marokko versus Tunesië. We hopen uiteraard dat Marokko wint, maar helaas, ze verliezen met 2-1. Wel leuk om mee te maken dat je met thee ook naar een finale kan kijken. De aanwezigen in het clubhuis nemen het verlies sportief op: soms zit het mee, soms zit het tegen. De volgende ochtend – stipt om 10.00 uur – staat onze gids Rachid met een Mercedes 500 (!!) voor onze boot. Rachid is speciaal aanbevolen door de haven: hij spreekt Engels, Frans, Duits en Spaans en is in Noord-Marokko een soort bekende Nederlander, maar dan natuurlijk een bekende Marokkaan. Hij is bijzonder aardig, spreekt feilloos Engels (hij heeft zelfs de dochter van Bill Clinton rondgeleid) en we gaan op weg. Rachid vraagt ons of we toch niet even eerst naar Tetuan willen, ondanks dat we daar al in december geweest zijn, omdat het daar vandaag Berbermarkt is. De berbers komen dan op hun ezeltjes, beladen met de producten die ze aan de man willen brengen, van de bergen af naar de markt in de medina van Tetuan. Dat willen we natuurlijk wel zien, dus de eerste stop is in Tetuan. We lopen weer door dezelfde vesting als in december met het verschil dat in elk hoekje en gaatje nu groenten- en fruitverkopers zitten. Rachid vertelt ons dat – omdat we hier binnen de vestingmuren zijn – al deze waren belastingvrij zijn. Dat merken we als we voor een kilo overheerlijke aardbeien (jawel: zomerkoninkjes in februari!) omgerekend 1 euro betalen. Verder vertelt hij ons wetenswaardigheden over Tetuan en - wat ons zeer verbaast – dat er 3 grote religiegroepen in Marokko zijn: moslims, joden en….katholieken. De eerste twee wisten we, maar de laatste is nieuw voor ons. (Omdat hij merkt dat we daar zo verbaasd over zijn, wijst hij ons later af en toe een katholieke kerk aan). De berbers zijn te herkennen aan de kleurige - vaak gestreepte - kleding en de verweerde gezichten. En aan de enorme stapels goederen die ze op hun rug vervoeren. Op een gegeven moment zien we een wandelende takkenbos die bij nadere investigering een berber onder zich draagt. Natuurlijk ontkomen we niet aan weer een tapijtenshow. Het leuke is wel dat de eigenaar van de tapijtenzaak (een andere winkel dan de vorige keer) ons eerst meeneemt naar het dak, waar we een prachtig uitzicht over zowel het oude als het nieuwe deel van Tetuan hebben. Dit keer wordt de tapijtenparade opgevoerd voor Phil-zonder-achteruit en Rachid wil ons zelfs weer meesleuren naar dezelfde apotheker als de vorige keer, waarvoor we beleefd bedanken. Phil-zonder-achteruit koopt niets, maar wij slaan onze slag in nog enkele kelims en wat souvenirs voor thuis. De truc van het onderhandelen hebben we in december goed kunnen oefenen en we zijn nu trots op de resultaten: 3 kleedjes voor de helft van de prijs van de eerste 2. Als je de verontwaardigde gezichten negeert (alles gespeeld) kan je een heel eind komen met de prijs en ’t is nog leuk ook! Dan springen we weer in de auto om naar Chefchaoun te rijden. Rachid vraagt of z’n vrouw ook mee mag: ze is al heel lang niet meer in Chefchaoun geweest en wil er graag weer eens kijken. Onderweg kijken we onze ogen uit: we zien een parkeerplaats voor ezeltjes, we zien de berbers met het restant van hun waren, we zien de combinatie van die twee: berbers mét ezeltjes en we zien het landschap van Noord-Marokko. Prachtig, prachtig, prachtig! Wie denkt dat Noord-Marokko een droog land is heeft het mis. We rijden door prachtige groene heuvels, soms gescheiden door meanderende riviertjes en ruige groene bergen. Een landschap dat door de tand des tijds nog niet is aangetast zo lijkt het wel. In Nederland zou dit direct tot natuurreservaat worden uitgeroepen waar je alleen met pantoffels en zonder te spreken door een raampje naar mag kijken. Maar in Marokko is het land van de mensen. Het is zondag vandaag en overal zien we hele families picknicken, wandelen, spelen, zitten en genieten van het mooie weer en hun vrije dag. Wij genieten ook, met volle teugen. En Rachid geniet met z’n Mercedes 500 en 140 kilometer per uur over smalle weggetjes. Marianne zit achterin wat misselijk te worden van de combinatie bergweggetjes-snelheid en zegt tegen hem dat ze blij is dat z’n vrouw erbij is. Nu weten ze tenminste dat ie toch een beetje voorzichtig zal zijn. Rachid vat het op als compliment. Dan komen we aan in Chefchaoun. Het is er een stuk kouder dan in Tetuan, omdat het zo hoog in de bergen ligt. Maar het is de moeite zeker waard. Het dorp bestaat uit oude huizen en de onderkanten van de meeste gevels zijn lichtblauw geschilderd. (Lichtblauw is overigens een kleur die je in het zuiden vaker aantreft, omdat vliegen en muggen er blijkbaar een hekel aan hebben). Ook deuren en kozijnen hebben het moeten ontgelden en staren ins Blaue hinein. Het effect is echter bijzonder: omdat de huizen ook nog eens flink dik zijn afgesausd lijkt het hier en daar net of je door een ijslandschap loopt in plaats van door Marokko. Onze maagjes knorren inmiddels als volwassen varkentjes en Rachid brengt ons naar een niet-toeristisch restaurantje dat we zelf natuurlijk nooit hadden kunnen vinden omdat het verscholen zit achter een klein (uiteraard blauw) deurtje. Het is een bijzonder gezellig restaurantje, helemaal in Marokkaanse stijl en de Marokkaanse gerechten die we proberen kosten een habbekrats en smaken geweldig. Na het eten slenteren we nog wat in het dorpje rond en Rachid wijst ons de mooiste plekjes aan. De straten zijn gevuld met spelende kinderen (ja hier spelen kinderen nog buiten: voetballen met een lekke bal, hinkelen met een steen: het maakt niet uit, ze hebben allemaal plezier) en slenterende mensen; het is tenslotte een vrije dag. Dan wordt het tijd om weer naar Smir terug te gaan, want Rachid wil graag voor het donker door de bergen zijn (in het donker kan ie natuurlijk de 140 kilometer per uur niet meer waarmaken).

En de terugweg is ook weer geen straf: er valt weer meer dan genoeg te zien. Rachid ‘Lauda’ moet zowaar afremmen voor een herder die met z’n koeien op pad is en even later voor een andere herder die zijn schapen op straat uitlaat. Het is eigenlijk wel een grappig gezicht: de Mercedessen razen over de bergweggetjes waar de veestapels vrijelijk overheen banjeren en waar in de berm af en toe nog een verlate berber op de rug van z’n ezeltje voorbij sjokt. Op het land zie je trouwens soms nog een boer met z’n paard de grond ploegen, taferelen die wij in Nederland alleen nog op schilderijen van de oude meesters kunnen bekijken. De reis is eigenlijk veel te snel voorbij en voor we het weten bedanken we Rachid voor de leuke dag en nemen we afscheid van hem. De volgende dag komt ’s ochtends ineens een stormwaarschuwing binnen: Straat van Gibraltar vanaf morgen enkele dagen windkracht 8. Dat brengt ons in een ‘moeilijk’ parket: moeten we hier blijven liggen met het risico dat de storm 1 week duurt. In de omgeving van Smir hebben we nu eigenlijk de mooiste plekjes wel gezien. We besluiten vandaag – nu de wind nog gunstig is - terug te varen naar Gibraltar. Van daaruit kunnen we dan eventueel nog naar Tanger oversteken. Marianne vindt het wel jammer dat we zo plotseling vertrekken, want ze zou met de dames van de receptie naar een hamam gaan (een openbaar badhuis: in Marokko dé sociale ontmoetingsplaats voor vrouwen) en dat wilde Marianne heel graag. Net voordat we naar de receptie lopen om te vertellen dat we eerder vertrekken dan gepland, komt er een nieuwe stormwaarschuwing binnen: voor vandaag. De havenmeester weet echter van niets en Paul vraagt hem voor de zekerheid toch even Tarifa te bellen om te vragen of er vandaag nu wel of geen storm in de Straat is. Tarifa meldt kracht 3 tot 4. De dames vinden het erg jammer dat we al gaan, maar wensen ons een goede vaart toe. Marianne bedankt hen voor de leuke contacten van de afgelopen dagen en geeft het Delftsblauwe molentje cadeau dat wij bij ons vertrek van onze vrienden hebben gekregen. We vinden het – symbolisch gezien – de perfecte plaats voor het molentje. Phil-zonder-achteruit weet nog niet wat ie doet: eigenlijk wil hij rechtstreeks naar Tanger, maar de stroming maakt dat bijna onmogelijk. Hij wil niet meer naar Gibraltar (dat doet hem teveel aan thuis denken) en hij weet niet of hij in Ceuta nog binnen mag lopen (na de brokken die hij daar heeft gemaakt). Dus we nemen afscheid van Phil en varen de haven uit. Nou ja, bijna dan, want de receptiedame staat naar ons te zwaaien en zegt dat we nog met onze paspoorten langs de politie moeten. Door al het kletsen vergeten! We leggen dus weer even aan, de paspoorten zijn binnen 5 minuten afgestempeld en hop, daar gaan we dan echt.


17 februari Gibraltar (Engeland)

We kunnen direct de zeilen hijsen en varen heerlijk zeilend langs de kust van Marokko. Als we richting de Straat komen begint de wind behoorlijk aan te zetten. Moeten we reven? Ach nee, Tarifa zei 3 tot 4, dus daar hoeven we ons geen zorgen over te maken. Maar als we de laatste rots van Marokko voorbij zeilen, slaat de wind ongenadig toe. Echt geen 3 of 4: er staat gewoon een windkracht 6 met uitschieters naar 7 en als een speer wordt het zeil gereefd tot het tweede rif, want we moeten zo hoog mogelijk varen om Gibraltar te kunnen halen. We hebben goed gecalculeerd met de stroming: we lopen tussen de 6 en 7 knopen en we worden een flink eind de goede richting op geduwd. Dit is de eerste keer dat we de Straat oversteken zonder dolfijnen. Of misschien zien we ze niet vanwege het wilde water. Binnen no time arriveren we in Gibraltar en met de ontvangst van de vorige keer nog vers in het geheugen, roepen we zelf de haven op om te vragen of we binnen mogen lopen. De procedures zoals in de nieuwe MacMillan pilot omgeschreven zijn gewijzigd: we moeten toch weer eerst naar de douane varen, helemaal achterin, en dan kunnen we terugkomen naar de haven. In ons hart maken we ons een beetje zorgen over de douane: als ze horen dat we uit Marokko komen, willen ze natuurlijk de hele boot binnenstebuiten keren om te zien of we geen kif en/of illegale Marokkanen hebben meegesmokkeld, maar tot onze grote verrassing wordt er alleen een formuliertje ingevuld. Wat moet je tegenwoordig toch nog doen om douane of politie aan boord te krijgen: wij zijn nu al 8 maanden onderweg en tot nu toe is er nog niemand aan boord geweest! We varen terug naar de eerste haven en daar weet men wel van de storm die er eigenlijk al is en nog erger zal worden. Dat merken we in de komende dagen: er staat een gemiddelde 7 en de tweede nacht is het zelfs windkracht 10. De eerste haven, vlakbij het centrum, mag dan wel de gezelligste zijn, maar het is zeker niet de rustigste haven om te liggen: we schommelen af en toe op en neer als zaten we op de kermis in de hullygully. Flessen op tafel laten staan gaat niet meer: die schuiven er gewoon vanaf. Ook rondslingerende balpennen rollen flinke afstanden over de tafel heen en weer. Hoewel Meis dat geschommel allemaal maar niks vindt, kan je aan haar zien dat ze weer blij is bekende luchtjes op te snuiven: haar oren en staart staan weer vrolijk omhoog. In Marokko rook ze geuren die haar niet aanstonden (c.q. die onbekend voor haar waren) en daar stond ze vaak met de staart tussen de achterpoten te bibberen als een schoothondje. Het enige nadeel op Gibraltar is dat de honden constant aangelijnd moeten zijn en dat er nergens (echt nergens) een plekje is waar ze even lekker kan rennen. Paul koopt ondertussen een regelaar voor de zonnepanelen met als oogmerk deze te gaan aansluiten, maar nu blijkt op Gibraltar weer geen goede kabel te koop te zijn. Wachten tot Cadiz dan maar weer. We wandelen rond door het centrum van Gibraltar en gaan kijken in een kristalwerkplaatsje. Hier wordt het glas nog op de ouderwetse manier gemaakt. (Terwijl Marianne met de camera foto’s en filmpjes maakt, voelt ze zich net Bert Haanstra die de prachtige film Glas heeft gemaakt). We krijgen een zeilmaker aan boord die voor een aangenaam bedrag onze biminitop kan afmaken en zo stormen de dagen – letterlijk en figuurlijk – voorbij. Dan worden we gebeld door Paul z’n moeder, die weet dat we in Gibraltar zijn: er is vannacht een aardbeving in de Straat van Gibraltar geweest en vooral Marokko is zwaar getroffen. Haar bezorgdheid is snel over als we zeggen dat we nog niet eens hebben gemerkt dat er een aardbeving was. Voor de zekerheid vragen we in het havenkantoor of men nog een tsunami (reuzengolf) in de haven verwacht, maar dat is niet het geval, want dan had ie er allang geweest moeten zijn. ’s Avonds op het nieuws horen we dat in Marokko vooral Al Hoceima de zwaarste klap heeft gehad. Daar worden we toch wel even stil van: dat was de plaats die we wilden bezoeken en voor hetzelfde geld hadden we daar nu dus gelegen. We denken aan de mensen die we in Marokko ontmoet hebben en hopen dat zij de beving goed hebben doorstaan. Het blijft maar regenen, maar toch gaan we vandaag de rots op om de apen nog eens met een bezoek te vereren. Meis blijft op de boot achter en we besluiten met de kabelbaan heen te gaan en te voet terug. In volle regenbepakking gestoken arriveren we boven en we hebben de cabine van de kabelbaan nog niet verlaten, of er springt een jong aapje in Paul z’n nek. Denkt natuurlijk dat Paul zijn langverwachte suikeroom is. Het aapje lift een stukje mee en springt dan weer naar beneden. Hoewel de handen van het aapje heel zacht waren vond Paul het toch een pijnlijke ervaring, omdat het aapje telkens als ie ging verzitten, Paul z’n haar als houvast gebruikte. Daar werd dus af en toe stevig aan gerukt. De stromende regen doet de apen niets, ze zitten, springen, hangen en staan weer overal om ons heen en met de nat geworden vacht zien ze eruit als kleine stekelvarkentjes. Wind vinden ze wel vervelend, want dan zijn hun sprongen niet meer zo doeltreffend. We zijn weer getuige van de meest vreemde buitelingen, vooral van de jonkies en de camera doet tevreden z’n werk. Op de plattegrond die we beneden hebben gekregen staat een toer aangegeven die ons aan de zuidkant van de rots naar St. Michael’s Cave (300 meter boven zeeniveau) en aan de noordkant naar de Great Siege Tunnels (belegeringstunnels) moet brengen. Totale tocht 3 kilometer (ja Hans, ook Paul) klimmen en dalen: we hebben dus een flinke wandeling voor de boeg in de nog almaar stromende regen. Onderweg passeren we wat uitkijkposten in de rotsen, waar je een prachtig uitzicht hebt over de Middellandse zee, we komen nog wat apen tegen en dan arriveren we bij de grotten. Dat is een prachtige verrassing: we lopen binnen in een paleis dat moeder natuur in de loop der eeuwen zelf heeft gebouwd. De architectuur van dit paleis is onovertroffen: mega-hoge gewelven met enorme druipstenen in de meest wonderlijke vormen die hier een daar stevige zuilen hebben gevormd, waar als fonteinen nieuwe druipstenen ‘uitgroeien’. Met open mond dwalen we een uur lang rond en we kunnen de camera weer niet met rust laten. Dan wordt de wandeling weer vervolgd om naar de belegeringstunnels te gaan. We hadden enkele dagen geleden tijdens een wandeling ‘beneden’ al gaten in de rotsen gezien waarvan we ons afvroegen waarvoor ze dienden. Wat leuk dat we daar nu kunnen gaan kijken! De tunnels zijn enorm lang. Ze zijn uitgegraven tijdens de Grote Belegering van Gibraltar (1779-1783). Wat een klus moet dat zijn geweest! Ook in de Tweede Wereldoorlog zijn ze weer gebruikt, maar echt comfortabel was dat niet, want ook in de tunnels doen onze regenpakken hun werk; het water druipt overal naar beneden. We hebben prachtig uitzicht over de grensovergang naar Spanje, de langgerekte stranden en de landingsbaan van het vliegveld van Gibraltar. We waren al benieuwd hoe lang die was, maar we kunnen nu beter zeggen: hoe kort die is. Aan de ene kant de baai van Gibraltar en aan de andere kant de Middellandse Zee. En op het kleine stukje land daar tussen in moeten de vliegtuigen opstijgen en landen, daar hebben we wel bewondering voor! Als extraatje deelt de weg naar de grensovergang Spanje de baan ook nog in twee. We zien de rijen auto’s voor de grens dwars over de startbaan staan. Dus als er vliegverkeer is, wordt de grens tijdelijk afgesloten (hopen we dan maar). Als we buiten komen is het eindelijk droog, hèhè, dat werd tijd! Maar de weersverwachtingen zijn nog steeds bar slecht: de storm en regen weten niet meer van ophouden en we willen nu toch eigenlijk wel weer verder. Nou ja, hoe dat afloopt lezen jullie de volgende keer wel weer.